
De Lage Vuchtpolder
Wanneer we door de Lage Vucht-polder fietsten, citeerde mijn moeder altijd uit ‘De Polder en Het Riet’ van Annie M.G. Schmidt. „De polder zegt: Ik lig hier op mijn rug en tuur de ganse lieve dag naar boven; misschien is het verbeelding maar ik vind dat ik aldus de wolken beter zien kan.” Ik vermoed dat ze het gedicht nog altijd uit haar hoofd kent.
Vroeger leek de polder eindeloos te duren. Met mijn korte beentjes trapte met al mijn kracht het kinderfietsje over de hobbelige, gele steentjes van de polderweg richting opa en oma. De brug over het Markkanaal was gelijk een colletje van de buitencategorie, slechts te bedwingen nadat we bij het tiental knotwilgen – ergens halverwege de reis – eerst een rustpauze hadden genomen. Een Napoleon-zuurtje als ravitaillering.
Mijn opa en oma woonden toen nog aan de Raadhuisstraat nummer 42. Een monumentaal pand, daterend uit 1767. Het pand heeft alles overleefd: ondergelopen kelders bij de watersnood, een granaat in de achtertuin en een bom aan het einde van de straat tijdens de oorlog. Ontelbare malen moet mijn grootvader het dak opgeklommen zijn om pannen recht te leggen of met weer een nieuw stuk lood het volgende lek te verhelpen. Maar opa werd ouder en tegen het einde werden de binnenvallende druppels nog slechts met emmers en pannen op de vliering opgevangen. Althans, zo staat me bij. Misschien is het slechts verbeelding.
Zo’n tien jaar geleden zijn ze verhuisd naar een bungalowwoning verderop in het dorp. Opa is niet lang daarna, rond deze tijd precies negen jaar geleden, overleden. Nu is het voor oma ook bijna zover. Eten en drinken doet ze al niet meer, af en toe prevelt ze iets onverstaanbaars. Ze is op haar verzoek drie dagen geleden al bediend. Een uur later vroeg ze nog steeds om Mijnheer Pastoor.
Voor het eerst sinds jaren fietste ik vanavond weer de route door de polder, onderweg naar oma. Niet dat ze me nog herkent, de arme ziel. Ze is haar man, haar kleinkinderen en, zo vermoed ik, zelfs de meeste van haar kinderen al vergeten. Af en toe slaat ze haar ogen open en staart ze hulpeloos naar de persoon die op dat moment haar hand vasthoudt. Ze wil hoesten, maar het lijf heeft er de kracht niet meer voor. Het is over en mocht Mijnheer Pastoor enige invloed hebben, zou hij ervoor zorgen dat het vooral niet lang meer duurt. Negentig is net een jaar of wat te oud voor oma.
Ik ben ook nog even langs de Raadhuisstraat gefietst. Het ouderlijk huis is sinds het vertrek nooit meer onderhouden. Vervallen, de ramen dichtgespijkerd, de immense groentetuin, waar opa vroeger asperges, aardbeien en sla verbouwde, omgeploegd tot grasveld. De gigantische kelder en de spookachtige zolder waren vroeger voer voor tientallen spannende verhalen over geesten en andere bangmakerij, meestal uit de mond van mijn jongste oom. Het huis staat leeg en heeft zijn glans verloren.
Opa, spoedig zal ze bij U zijn. Alhoewel U wel weet dat ik daar eigenlijk niet in geloof.
Update 27-7 11.32u: „Het is goed zo”, zou opa gezegd hebben.Vanochtend rond zes uur is ze overleden.
