
Het sneeuwde in Breda. En ook in Den Haag. Het leken slechts enkele vlokjes, maar het moet wel haast een heuse sneeuwstorm geweest zijn. De NS had namelijk een uitgeklede regeling in werking gesteld.
Ik zag het al helemaal voor me. Met een beetje geluk zouden de ijsmeesters nog bijeen komen. Een elfstedentocht in februari. Het moet kunnen. Wellicht zouden we nog wel insneeuwen. Spannend
Bij het naar huis gaan wilde ik nog een sneeuwbal gooien. Tot mijn ontsteltenis was de sneeuw al weer grotendeels gesmolten. De dooi en het broeikaseffect deden hun werk. Alleen de NS reed nog steeds in noodtoestand. Zullen wel blaadjes op de rails geweest zijn. Of vierkante wielen. Of een slechte leiding. En dan bedoel ik die hoge heren, niet de bovenleiding.
Hear hear.
[sÇ: Vroeger hanteerde de NS de slogan ‘Waar zouden we zijn zonder de trein’. Het antwoord is nu helder.]
(Geen homo trouwens, vandaag?)
[sÇ: en mijn huissleutels was ik ook vergeten.]
Die sneeuw bij jullie stelde ook niets voor.
[sÇ: Nee, gij ‘et un groot vriesvak.]