
Het koor is terug van zomervakantie. Dat werd gevierd met een feest bij Aloïs thuis.
Gisteren was ik Aloïs al tegengekomen in de kroeg. „Je zou toch komen helpen?”, vroeg hij. Dat had ik hem inderdaad weken geleden al beloofd. We hadden echter nooit een tijd afgesproken. „Da’s waar, zei ik. Maar ik heb morgen overdag geen tijd om boodschappen te doen.” „Da’s al gebeurd”, zei Aloïs, „maar als je morgen nou iets eerder komt, dan kun je helpen alles klaar te zetten. Zeg rond een uur of zeven.”
Iets over zeven kwam ik bij hem aan. „Kom binnen en ga zitten”, zei hij en zette een kop koffie voor mijn neus. „En, wat kan ik doen”, vroeg ik nadat ik mijn koffie op had. „Niks”, antwoordde Aloïs, „ik heb alles al klaargezet.” Vragend keek ik hem aan, „ik moest toch komen helpen?”
„Dat had ik alleen maar gevraagd om zeker te weten dat je zou komen”, antwoordde Aloïs glunderend, en zette nog een tweede bakkie voor.