
Het regende toen ik iets na half negen het kamergebouw uitliep op weg naar het station. Korte, hevige rukwinden bliezen af en aan. Buiten was het al aardig donker. Het afzetlint bij het ministerie van binnenlandse zaken klapperde hard mee in de wind.
De kamer had zojuist uren over de kredietcrisis gepraat die over de wereld trekt. Over Fortis, de bank die op omvallen stond. Het leek alsof de natuur zijn uiterste best deed om met een laatste zuchtje wind het financiële imperium te doen laten instorten.
Tijdens de tien minuten durende wandeling liet Den Haag zijn meest desolate kant zien. Als ik in het eind der tijden had geloofd, had dit het moeten zijn. Zelfs op het station was het uitgesproken rustig. Slechts enkele mensen dwaalden als schimmen over de gebroken tegels van het treinstation.
Crisis? Er is helemaal geen crisis. Toen ik, een uur later, aankwam in Breda was er geen wind te herkennen. Uit de pinautomaat van Fortis op het stationsplein kwam gewoon een briefje van vijftig. Met een scheurtje erin. Zou de financiële wereld dan toch tot in zijn voegen kraken?