Er staan al mensen te wachten bij de Albert Heijn-filiaal op Hoog Catharijne, wanneer de rolluiken naar boven gaan. Zonder aarzeling of omkijken lopen ze de zaak in.
Onderaan de roltrap staat de oosteuropeaan te spelen op zijn accordeon. Zoals elke dag, van ‘s ochtends tot aan de avond. Het zelfde riedeltje, schijnbaar.
De lente hangt in de lucht. Als de zon de huid raakt, lijkt het zelfs even een warme lentedag. Op straat begint het langzaam drukker te worden. Twee mensen beginnen plotseling een gesprek.
Terwijl ik voortschrijdt over de Oude Gracht, naar mijn werk, luidt achter mij het carillon van de Dom over de stad. Rugtassen met scholieren fietsen naar school. Ik haal diep adem en steek een sigaret op. Morgenstond heeft inderdaad goud in de mond.
Was iedereen al weer weg toen je arriveerde?
[sÇ: de meesten moesten nog komen.]