Alle remmen los – di 17 aug. 2004

De wekker ging eigenlijk te vroeg. Maar ja, ik moest nu eenmaal om half negen bij Mr Clutch zijn om mijn remmen te laten vervangen. Ruim 120 pond zou dat grapje mij gaan kosten, maar gelukkig had ik mijn flexibele vriend, de credit-card bij me. De operatie zou anderhalf uur duren, wat nog net genoeg tijd overliet om op tijd in Dover bij de boot te zijn. In de tussentijd liep ik terug naar het huis van Elly, waar iedereen, op Jaap na, al was vertrokken. Ik ging nog even douchen, Jaap maakte wat ontbijt en koffie klaar. Een uur of wat later liepen we terug naar Mr Clutch, waar de auto al op ons stond te wachten.

Met een klein beetje lak aan de Engelse snelheidslimieten zetten Jaap en ik de reis naar Dover in. We kwamen onderweg geen enkele file tegen, behalve dan bij de tolbrug van de M25 over de Thames. Hier stond het verkeer overigens wel héél plotseling stil en moest ik nog flink remmen om de auto voor me niet te raken. Het was dus maar goed dat ik die ochtend de remmen nog hadden laten vervangen. Uiteindelijk waren we netjes op tijd voor de boot, die er een lang uurtje over deed om aan de overkant van de Straat van Dover te komen. Ondertussen maakte Jaap een lunch van de overgebleven stukken brood, kaas en het blikje Spam (!) dat we nog niet hadden geopend.

Het laatste stuk van zo’n reis ben ik altijd wat gelaten. Ik zou Jaap, eenmaal in Breda aangekomen, op de trein naar Delft zetten (hem naar Delft rijden was out-of-the-question), en dat is toch een beetje raar nadat je bijna twee weken continu samen bent geweest. Daarnaast zou ik de volgende dag al weer meteen doorgaan naar Pukkelpop en ook die switch kon ik op dat moment nog even niet maken. Het liefst vier ik het einde van zo’n vacantie tot sluitingstijd samen in een kroeg, maar dat zat er dus niet in.

’s Avond nog even naar de Valkenberg-concerten gegaan (die muzikaal dit jaar trouwens de grootste aanfluiting tot nu toe zijn) om wat vrienden te ontmoeten.

Terug naar Luton – ma 16 aug. 2004

Na me nog even een paar keer omgedraaid te hebben, kwam ik mijn nest uit; douchen, kop thee zetten, plantje kopen voor Ellen en Charles, bedankbriefje schrijven en terug naar Luton. Ondertussen hoopte ik dat de linkerremschijf niet zover versleten was dat deze in tweeën zou breken. Als dat gebeurd maak je namelijk een spin van minstens 180 graden en als dat op de snelweg gebeurd…

Rond één uur arriveerde ik bij Elly Kelner. Zij is een vriendin van Jaap die hij ooit in de trein heeft leren kennen. Nou ja, eigenlijk op Breda Barst, waar ze moest optreden onder haar artiestennaam Keshri. Inmiddels is ze een jaar of wat geleden naar Engeland geëmigreerd (best leuk: ze liet twee kaartjes voor een concert van Therapy? achter waar ze zelf niet meer naar toe kon en daar zijn Jaap en ik dus toen naar toe geweest), waar ze haar best doet om haar muziek-carrière opnieuw van de grond te krijgen.

Dat heeft nog best wat voeten in de aarde, want met één van haar bandleden is de relatie nogal gespannen. En dus heeft Elly maar besloten die samenwerking te beëindigen. Zonder in al te veel details te treden, waren Jaap en ik er getuigen van, hoe ze haar muziektranscripties en videobanden van dit ex-bandlid probeerde terug te krijgen.

We zijn die middag gaan wandelen in Letchworth (vrij oninteressant dorpje eigenlijk, maar het was toch wel gezellig), met Elly en haar moeder, die ook over was vanwege de enkele dagen eerder gevierde verjaardag van Elly. Op de terugweg zag ik toevallig een filiaal van Mr. Clutch, vlakbij de woning van Elly, en las ik op één van de borden aan het gebouw dat ze naast versnellingsbakken ook remmen vervangen. Een soort Kwikfit voor alles behalve banden dus. Bij Elly op internet even gekeken wanneer ze open gingen (half negen). Aangezien het me toch niet helemaal lekker zat om met die versleten remschijf nog helemaal naar Nederland te moeten rijden, wilde ik, als het even kon, de remmen nog laten vervangen. Dat zou echter krap aan worden, want de boot van Dover naar Calais zou de volgende dag om 13.00 uur vertrekken.

’s Avonds eten klaargemaakt en ontdekt hoe vervelend het is als je eerst hete pepers in stukjes hakt en daarna in je ogen gaat wrijven (eens moet de eerste keer zijn). Jaap en ik gingen als laatsten naar bed, na eerst nog drie afleveringen op de DVD van Jim Henson’s Storyteller gekeken te hebben (één van de cadeaus die Elly van haar vriend Matt had gekregen). Na nog een paar glazen Whisky gingen Jaap en ik ons mandje in. De laatste nacht van de vakantie.

Cropredy (slot) – zo 15 aug. 2004

De volgende ochtend was ik niet al te laat opgestaan, al was het maar omdat ik de vorige avond aan de buren gevraagd had of ze de volgende morgen even onze accu wilden jumpstarten. En zij vertrokken ‘al’ om tien uur.

Het was achteraf een beetje zinloos, aangezien Jaap en ik tijdens het afbreken van onze tent nog muziek hadden geluisterd. Ik had de motor niet lang genoeg laten draaien om de accu volledig op te laden, dus op het moment van vertrek moesten we opnieuw de hulp van een wildvreemde inschakelen. Gelukkig is op Cropredy iedereen altijd superaardig.

We reden opnieuw naar het Cherwell Service Station om te douchen. Daarna keerden we terug voor de zondagse cricketwedstrijd tussen de medewerkers van het festival en de plaatselijke bevolking. Deze cricketwedstrijd is inmiddels een traditie die hoort bij het festival. Gelukkig gaat lang niet elke bezoeker er naar toe. Ik denk niet dat het cricket-veld een bezoekersaantal van 20.000 aan zou kunnen.

We bleven alleen voor de eerste helft. Jaap wilde die avond nog op bezoek bij Elly, een vriendin in Luton en ik had gebeld naar een vriend in Cambridge, die ik ook nog even wilde bezoeken. Om niet al te laat te arriveren, moesten we enigszins bijtijds weg. Maar niet voordat we een foto hadden genomen van ons tweeën bij het wapen van Cropredy. Jaap moest ook nog wat kaarten op de bus doen. Een dorpeling aan wie Jaap vroeg waar hij een brievenbus kon vinden, was toevallig zelf op weg een brief te posten en was zo vriendelijk de kaarten van Jaap ook te posten.

Luton was niet moeilijk te vinden, de straat waar Elly woonde, bleek wat lastiger te vinden. Rond een uur of zes arriveerden we. De remmen van de auto begonnen tijdens die reis ietwat vervelend te doen. Na een korte ontmoeting reisde ik door naar Cambridge. Onderweg stopte ik eventjes om te kijken wat er nu mis was met de rem van mijn linker voorwiel. De remschijf bleek volledig versleten. In plaats van een gladde metalen plaat, leek de remschijf qua structuur meer op een grindtegel. Maar daar kon ik op dat moment weinig aan doen.

Rond een uur of negen arriveerde ik bij Michiel en zijn vriendin Vasna, die ik die avond voor het eerst zag. We hebben een paar uurtjes in de pub gezeten en bij hem thuis nog wat koffie gedronken. Ik ken Michiel uit de tijd dat hij nog in Nederland woonde en we op dezelfde middelbare school zaten. Toen zag ik hem zo’n beetje elke dag, nu was het al weer een jaartje geleden. Hoewel het een korte ontmoeting was, was het erg leuk hem (en zijn vriendin) weer eens gezien te hebben.

Michiel en Vasna wonen erg klein. Ik zou blijven overnachten bij de ouders van Michiel. Met de reservesleutel van Michiel aan mijn bos, reed ik in het holst van de nacht naar Histon (een dorpje dat ik maar met moeite kon vinden). Ellen en Charles lagen al op bed, zij moesten er de volgende ochtend weer vroeg uit. Zo vroeg, dat ik de volgende ochtend pas wakker werd toen ik de voordeur dicht hoorde slaan.

Cropredy (3) – za 14 aug. 2004

Het geld was op en Cropredy heeft dan weliswaar wel een Village shop, een pinautomaat die Europese pinpassen accepteert moet nog geïntroduceerd worden. En extra geld opnemen met de Visa lukte ook niet, dus moesten we even op en neer naar Banbury om te pinnen.

Tot mijn grote spijt hebben we daardoor een deel van het openingsoptreden van Richard Digance moeten missen. Deze zanger/gitarist/liedjesschrijver staat al drie jaar achtereen geprogrammeerd in wat ze gekscherend het godslot zijn gaan noemen: van 12.00 tot 13.00 uur. Richard eindigde zijn set met een liedje, opgedragen aan een recentelijk overleden vriend: John Jones. Jonah was jarenlang presentator op Cropredy en verdiende zijn geld daarnaast met diverse andere beroepen, waaronder stage-management en artiestenbegeleiding. Niet dat hij opvallende uitzonderlijke kwaliteiten had op die gebieden, maar, zoals Ralph McTell antwoordde op de vraag waarom hij werd begeleid door iemand die noch kon sjouwen, noch muziek kon maken: “he just makes me laugh”. Jonah werd tijdens deze editie van Cropredy veelvuldig geëerd en herdacht. Het is opnieuw een kenmerk van de hechtheid binnen de folkwereld van Engeland.

Het afsluitende optreden van Fairport Convention (drie-en-een-half uur) was geweldig. Hoewel dit de zevende keer was dat ik ze zag en het overgrote deel van hun platen (in ieder geval alles behalve een aantal collectables) inmiddels grijs gedraaid heb, blijft een Fairport-optreden iets aparts. Misschien wil ik ook wel niet al te kritisch luisteren (tuurlijk, op een gegeven moment ga je wel bepaalde trucjes ontdekken die sommige prestaties net iets minder indrukwekkender maken dan aanvankelijk), want het blijft ten slotte Fairport.

Nadat met Meet on the Ledge de laatste noten van het festival gespeeld waren, liepen we nog even rond op het festivalterrein en kwam ik nog wat vrienden van vorig jaar tegen. Terug in de tent genoten we van een laatste biertje (en volgens mij ook nog een Whisky) in het gezelschap van een wat aparte festivalganger die zich tijdelijk bij ons voegde. Dat was ook ongeveer het moment waarop ik er achter kwam dat ik die ochtend de koelkast van de auto niet goed had uitgezet. De accu was leeg en (ongelofelijk maar waar), de volgende ochtend zou ik voor het derde achtereenvolgende jaar iemand om hulp moeten vragen. Het zal er wel bij horen.

Cropredy (2) – vr 13 aug. 2004

Dit jaar was mijn derde achtereenvolgende en misschien wel laatste Cropredy. Het festival wordt namelijk niet grootschalig gesponsord en er zit geen groot geld achter. Al sinds jaar en dag is de organisatie in handen van Fairport-bassist Dave Pegg en zijn vrouw Christine. En al die jaren diende hun huis als onderpand. Maar dit voorjaar hebben Dave en Chris besloten uit elkaar te gaan. Het huis is verkocht.

Cropredy is een klein hippie-paradijs op aarde, maar dan zonder al te veel hippies. De festivalgangers beslaan zo’n beetje elke denkbare leeftijdscategorie, hele families trekken in het tweede weekeinde van augustus naar het dorpje toe en je kan met een gerust hart je auto onafgesloten laten staan. Er zijn vele anekdotes van festivalgangers die ooit hun portemonnee bij de politiestand konden ophalen zonder dat al het briefgeld eruit was gehaald of de credit-cards waren ge-maxed. Tekenend is ook de uitermate hartelijke gastvrijheid waarmee de kleine 700 dorpelingen elk jaar weer 20.000 mensen ontvangen. Het dorp is blij met het festival: drie dagen in het jaar zetten vele dorpelingen zich vrijwillig in om een full English breakfast (inclusief Yorkshire tea) te bereiden voor de hongerige bezoekers. Het geld dat dit oplevert wordt gestoken in de plaatselijke cricket-club, de basisschool, de kerk of de kano-club. Dankzij het festival hebben de bewoners van Cropredy een bloeiend verenigingsleven.

Jaap en ik begonnen onze vrijdag dan ook met een ontbijt bij de kano-vereniging. Onderweg kwamen we een groep vreemd uitgedoste vogels tegen. Wachtend op onze baked beans, eggs, bacon and sausages (er zijn nog 80 wachtenden voor U), werden we door diezelfde snuiters gefêteerd op een dans-uitvoering: Morris-dancing (zie foto hierboven).

Ondanks enkele korte regenbuien was het weer prima (mijn eerste Cropredy was aanmerkelijk natter en zelfs die valt in het niet bij de verhalen in de Cropredy naslagwerken). Het was een typische shirt-uit-shirt-weer-aan-dag. Op het programma stond onder andere Earl Okin (absolute aanrader, zijn cd Musical Genius and Sex Symbol op het Sony-label). De festivaldag werd afgesloten door niemand minder dan Jethro Tull (Ian Anderson, Martin Barre). En wellicht vond het optreden in Ancien Belgique drie jaar geleden muzikaal wat beter, aan goden moet je niet twijfelen.

Cropredy (1) – do 12 aug. 2004

Cherwell Service Station heeft niet alleen een benzinepomp, een restaurant, een supermarkt en een toilet dat 24 uur per dag open is, het allermooiste is dat ze ook douches hebben. Gratis! Slechts de Duitse Rasthof wint het qua comfort van de Engelse service stations. Ik heb ’s ochtends dan ook genoten van wat waarschijnlijk de laatste douche voor de komende dagen zou zijn. Want douchen op festivals, zo leert de ervaring, komt er doorgaans niet van.

Het was nog redelijk vroeg, maar desondanks tijd voor de laatste spurt naar Cropredy. We wilden er vroeg bij zijn. Vorig jaar arriveerde ik rond tien uur en stond ik daardoor op veld twee, vlak bij de ingang van het festivalterrein. Dat is prettiger dan de verre camping waar we twee jaar geleden stonden en welke een minuut of tien lopen is van het festivalterrein. Het viel echter tegen: door overstromingen waren de velden één en twee onbruikbaar en moesten we alsnog naar veld zeven, echter nu wel wat verder vooraan.

Cropredy heeft een kleine 700 inwoners en staat slechts op weinig kaarten aangegeven. Desondanks kent het dorp twee (!) pubs en biedt het jaarlijks onderdak aan een geweldig folkfestival met de daarbij gepaard gaande invasie van 20.000 folkies. Het festival begon ooit in 1977 als een tuinfeestje van een plaatselijk Member of Parliament (uiteraard Labour). 4 augustus 1979 staat in de boeken als datum van het eerste echte festival. Het was eigenlijk bedoeld als afscheidsconcert van Fairport Convention, nadat ze eerder die dag op Knebworth hadden gespeeld. Het jaar erop volgde een reünie-concert dat vanaf dat moment een jaarlijks terugkerend evenement was, totdat Fairport in 1985 definitief werd heropgericht. De lijst support-acts groeide jaarlijks zodat vanaf 2000 sprake was van van het eerste driedaagse Cropredy-festival (met bijbehorende Cricket-match op zondag).

Nadat de tent was opgezet, liepen Jaap en ik het dorp in. Tijdens het festival kom je daar een bescheiden aantal stands tegen met platen en cd’s (eerste aankoop: Dave Swarbrick, the transatlantic anthology), kampeerspullen (tweede aankoop: een gaslamp en een paraplu voor Jaap) en dergelijke. Het was mooi weer en op het kerkhof naast St. Mary’s Church zat de plaatselijke bevolking tegen, op of naast de grafstenen te genieten van de zon, een biertje en wat leesvoer. Kennelijk vindt de Vicar of Cropredy het gebruik van zijn kerkhof als terras voor The Red Lion niet bezwaarlijk. So we ordered a pint and started drinking with the dead. Rond vier uur liepen we met onze opvouwbare stoeltjes naar het festivalterrein om te genieten de eerste noten van Cropredy 2004 en de eerste slokken van Wadworth’s festivALE.

Asfalt – wo 11 aug. 2004

“We’re going to the Cropredy Festival”, stond er al maanden op de sticker op de voorruit van mijn auto te lezen. En op woensdag begon onze tocht naar dit prachtige dorpje in Oxfordshire. Hoe ver zuidwaarts we die dag zouden komen, konden we niet inschatten. Ik gebruik al lang niet meer de routeplanners op internet die altijd een overoptimistische schatting van de reistijd geven en het daarnaast altijd presteren minstens één belangrijke afslag niet op de routebeschrijving te vermelden. Met een grote kaart van Engeland op de motorkap besloot ik mijn eigen route te plannen.

Met enkele welverdiende pauzes (de eerste al na ruim twee uur, ik geloof dat ik toen een minuutje of twintig geslapen heb met muziek van Star One op de achtergrond, terwijl Jaap ondertussen een thermos koffie zette, verruilden we allengs het bergachtige Schotse landschap voor het ietwat vlakkere Noord Engeland. Nog een laatste maal deden we boodschappen bij een Schotse mini-supermarkt (de doughnuts waren in de aanbieding!).

Tegen een uur of negen ’s avonds, ruim twaalf uur nadat we uit Strontian waren vertrokken, arriveerden we in Banbury, de voorlopige eindbestemming van onze reis. Daar zochten we een uur of wat tevergeefs naar een fish-‘n-chippie, vonden uiteindelijk een take-away-Pakistaan die geen fish, maar wel chips maakte en bestelden daar een hamburger, een döner en een portie friet en verorberden dat in de auto. Nog ruim op tijd voor last orders besloten we in een pub nog wat te drinken, alvorens naar het Cherwell service station, 8 mijl ten zuiden van Banbury, te rijden om daar te overnachten. In de auto.

In tegenstelling tot Jaap kan ik nooit slapen in de auto. Althans, nooit lang. En woelen kan ook niet echt, als je in je chauffeursstoel ligt. Al snel besloot ik in de laadruimte van de bestelwagen te gaan liggen, boven op al onze spullen. Het sliep beroerd, maar het sliep in ieder geval. De volgende ochtend werden we in een beslagen Ford Escort wakker.

Fangorn – di 10 aug. 2004

We hebben het ons al wandelend een aantal malen afgevraagd, maar wellicht nog wel het vaakst op onze laatste dag in Strontian: waarom hebben ze Lord of the Rings toch in godsnaam in Nieuw Zeeland opgenomen en niet in het thuisland van Tolkien: Brittannië. Tolkien heeft met zijn werk proberen te creëren wat er volgens hem niet was: Engelse mythen en legenden (de verhalen van Koning Arthur vond hij in die zin onvolmaakt), sagen die verbonden waren met de Engelse ziel. Nu is Schotland feitelijk net zo min Engeland als dat Nieuw Zeeland dat is, maar het zou volgens mij meer eer gedaan hebben aan Tolkien’s werk, wanneer het verhaal dat hij had opgedragen aan Engeland in ieder geval op het zelfde eiland verfilmd zou zijn. Het Britse land dat Tolkien geïnspireerd heeft tot zijn boek.

Vanwaar deze gedachte: omdat het Schotse landschap daadwerkelijk magisch is. De uitgestrekte bergen, de smalle paden, de leegheid, of soms juist de overdadige bossen vol bomen met onvoorstelbare, bijna magische vormen. Hoewel wat klein uitgevallen, zijn we op één van onze wandelingen zelfs Treebeard himself ontmoet.

De wandeling door het Ariundle Nature Reserve, nadat we voor de middag rond het net wat minder mysterieuze bosbouwgebied rond Polloch hadden gelopen, was misschien nog wel de meest indrukwekkende. Bomen zo groot, dik en kronkelig als daar ben ik in Nederland nooit tegengekomen.

’s Avonds, na een eenvoudige maar lekkere maaltijd van de hand van Jaap, stalden we onze spullen in het drooghok en namen we afscheid van wat tijdelijk onze stamkroeg was geworden, dit maal in de lounge van Strontian hotel. De volgende ochtend wachtte ons een lange autorit naar Banbury, Oxfordshire.

The Highlands – ma 9 aug. 2004

Er leek aanvankelijk wat onenigheid over de bestemming van die dag, maar ik wilde koste wat kost naar de Highlands. En dat deden we uiteindelijk ook. Met de pont eerst naar de overkant van Loch Sunart en via Fort William en Invergarry de Highlands in naar een plaats in de buurt van Allbeithe bij Loch Quoich. Het landschap is hier kaler, uitgestrekter en het weer die dag was mistig met af en toe motregen. Regenjassen aan dus.

De wandeling was korter dan gehoopt, al was het maar omdat we opnieuw vast kwamen te zitten met de auto, dit maal omdat het achteruit terugrijden op een smal, stijl en doodlopend pad ons wederom in een greppel deed belanden. Het was dit maal een Duits echtpaar dat ons wist te redden met een dappere Volkswagen als trekker.

We hadden op de heenweg al geïnformeerd of we die avond in een dorpje Haggis konden eten. Dat zou geen probleem zijn, maar het personeel die avond dacht daar anders over. Haggis stond slechts op het middagmenu. En hoewel Jaap vond dat we nog wat meer aan hadden moeten dringen, had ik de moed al weer opgegeven. Op naar Fort August dus, aan het Loch Ness, waar we in The Scottisch Kitchen uiteindelijk kregen wat we zochten: een traditionele Schotse Haggis. En het smaakte uitstekend.

Terug in Strontian nog even naar de pub van het Strontian Hotel, waar we dit maal nog enkele pints Guinness soldaat maakten alvorens naar bed te gaan.

How the west was won – zo 8 aug. 2004

De volgende ochtend een beetje duf wakker geworden van de vele Stella’s. Zonder ontbijt gingen Jaap en ik naar Ardnamurchan Point, het meest westelijke punt van het Britse vasteland. Het was nog een redelijk lange tocht langs bochtige eenbaanswegen die altijd enige paniek veroorzaken wanneer je een tegenligger tegenkomt. Grote voordeel van eenbaanswegen is dan wel weer meteen dat je niet per ongeluk rechts kunt gaan rijden.

Op Ardnamurchan Point staat een redelijk indrukwekkende vuurtoren, maar voor de rest stelt het meest westelijke puntje van het vasteland niet veel voor. Na een kopje thee en een schone in de naastgelegen teashop besloten Jaap en ik over de rotsen in de richting van witte stranden bij Portuairk te lopen. Helaas kwamen we erachter dat de rotsen van dichtbij veel minder goed beklimbaar waren dan ze van een afstandje leken. Het enige alternatief was de weg naar Portuairk.

De zee bij Portuairk ziet er magisch uit. De stranden in de baaien rondom zijn spierwit, maar in Portuairk zelf vormen prachtig uitgesleten platte stenen een prachtig pad in de zee (zie foto hierboven). Terwijl Jaap besloot wat langer van het uitzicht te genieten en te gebruiken als inspiratie voor wat tekeningen, liep ik de vijf mijl terug naar de vuurtoren om de auto op te halen, onderweg, zoals gebruikelijk in het beschaafde Groot Brittannië, iedereen groetend die ik tegenkwam.

Teruggekeerd had ik de auto ietwat onhandig geparkeerd in een door onkruid overwoekerde ondiepe greppel, zodat we de hulp van een landrover nodig hadden, alvorens we op zoek konden naar traditionele Schotse Haggis. Gezien het late tijdstip hebben we die echter niet meer kunnen vinden. De meeste keukens waren al dicht. Ook de Glenuig Inn in het gelijknamige plaatsje, die we nota bene eerst nog even hadden gebeld om te vragen of ze ook Haggis hadden. Later bleek echter dat we een klant aan de lijn hadden die dacht dat we een grapje maakten en dat dus ook deed. De aardige barvrouw wilde voor ons echter nog wel wat Haddock klaarmaken. En die smaakte, samen met de maaltijdsoep, eigenlijk ook geweldig. Volgde slechts de lange, onverlichte weg tentwaarts en een welverdiende nachtrust.