Cropredy (1) – do 12 aug. 2004

Cherwell Service Station heeft niet alleen een benzinepomp, een restaurant, een supermarkt en een toilet dat 24 uur per dag open is, het allermooiste is dat ze ook douches hebben. Gratis! Slechts de Duitse Rasthof wint het qua comfort van de Engelse service stations. Ik heb ’s ochtends dan ook genoten van wat waarschijnlijk de laatste douche voor de komende dagen zou zijn. Want douchen op festivals, zo leert de ervaring, komt er doorgaans niet van.

Het was nog redelijk vroeg, maar desondanks tijd voor de laatste spurt naar Cropredy. We wilden er vroeg bij zijn. Vorig jaar arriveerde ik rond tien uur en stond ik daardoor op veld twee, vlak bij de ingang van het festivalterrein. Dat is prettiger dan de verre camping waar we twee jaar geleden stonden en welke een minuut of tien lopen is van het festivalterrein. Het viel echter tegen: door overstromingen waren de velden één en twee onbruikbaar en moesten we alsnog naar veld zeven, echter nu wel wat verder vooraan.

Cropredy heeft een kleine 700 inwoners en staat slechts op weinig kaarten aangegeven. Desondanks kent het dorp twee (!) pubs en biedt het jaarlijks onderdak aan een geweldig folkfestival met de daarbij gepaard gaande invasie van 20.000 folkies. Het festival begon ooit in 1977 als een tuinfeestje van een plaatselijk Member of Parliament (uiteraard Labour). 4 augustus 1979 staat in de boeken als datum van het eerste echte festival. Het was eigenlijk bedoeld als afscheidsconcert van Fairport Convention, nadat ze eerder die dag op Knebworth hadden gespeeld. Het jaar erop volgde een reünie-concert dat vanaf dat moment een jaarlijks terugkerend evenement was, totdat Fairport in 1985 definitief werd heropgericht. De lijst support-acts groeide jaarlijks zodat vanaf 2000 sprake was van van het eerste driedaagse Cropredy-festival (met bijbehorende Cricket-match op zondag).

Nadat de tent was opgezet, liepen Jaap en ik het dorp in. Tijdens het festival kom je daar een bescheiden aantal stands tegen met platen en cd’s (eerste aankoop: Dave Swarbrick, the transatlantic anthology), kampeerspullen (tweede aankoop: een gaslamp en een paraplu voor Jaap) en dergelijke. Het was mooi weer en op het kerkhof naast St. Mary’s Church zat de plaatselijke bevolking tegen, op of naast de grafstenen te genieten van de zon, een biertje en wat leesvoer. Kennelijk vindt de Vicar of Cropredy het gebruik van zijn kerkhof als terras voor The Red Lion niet bezwaarlijk. So we ordered a pint and started drinking with the dead. Rond vier uur liepen we met onze opvouwbare stoeltjes naar het festivalterrein om te genieten de eerste noten van Cropredy 2004 en de eerste slokken van Wadworth’s festivALE.

Asfalt – wo 11 aug. 2004

“We’re going to the Cropredy Festival”, stond er al maanden op de sticker op de voorruit van mijn auto te lezen. En op woensdag begon onze tocht naar dit prachtige dorpje in Oxfordshire. Hoe ver zuidwaarts we die dag zouden komen, konden we niet inschatten. Ik gebruik al lang niet meer de routeplanners op internet die altijd een overoptimistische schatting van de reistijd geven en het daarnaast altijd presteren minstens één belangrijke afslag niet op de routebeschrijving te vermelden. Met een grote kaart van Engeland op de motorkap besloot ik mijn eigen route te plannen.

Met enkele welverdiende pauzes (de eerste al na ruim twee uur, ik geloof dat ik toen een minuutje of twintig geslapen heb met muziek van Star One op de achtergrond, terwijl Jaap ondertussen een thermos koffie zette, verruilden we allengs het bergachtige Schotse landschap voor het ietwat vlakkere Noord Engeland. Nog een laatste maal deden we boodschappen bij een Schotse mini-supermarkt (de doughnuts waren in de aanbieding!).

Tegen een uur of negen ’s avonds, ruim twaalf uur nadat we uit Strontian waren vertrokken, arriveerden we in Banbury, de voorlopige eindbestemming van onze reis. Daar zochten we een uur of wat tevergeefs naar een fish-‘n-chippie, vonden uiteindelijk een take-away-Pakistaan die geen fish, maar wel chips maakte en bestelden daar een hamburger, een döner en een portie friet en verorberden dat in de auto. Nog ruim op tijd voor last orders besloten we in een pub nog wat te drinken, alvorens naar het Cherwell service station, 8 mijl ten zuiden van Banbury, te rijden om daar te overnachten. In de auto.

In tegenstelling tot Jaap kan ik nooit slapen in de auto. Althans, nooit lang. En woelen kan ook niet echt, als je in je chauffeursstoel ligt. Al snel besloot ik in de laadruimte van de bestelwagen te gaan liggen, boven op al onze spullen. Het sliep beroerd, maar het sliep in ieder geval. De volgende ochtend werden we in een beslagen Ford Escort wakker.

Fangorn – di 10 aug. 2004

We hebben het ons al wandelend een aantal malen afgevraagd, maar wellicht nog wel het vaakst op onze laatste dag in Strontian: waarom hebben ze Lord of the Rings toch in godsnaam in Nieuw Zeeland opgenomen en niet in het thuisland van Tolkien: Brittannië. Tolkien heeft met zijn werk proberen te creëren wat er volgens hem niet was: Engelse mythen en legenden (de verhalen van Koning Arthur vond hij in die zin onvolmaakt), sagen die verbonden waren met de Engelse ziel. Nu is Schotland feitelijk net zo min Engeland als dat Nieuw Zeeland dat is, maar het zou volgens mij meer eer gedaan hebben aan Tolkien’s werk, wanneer het verhaal dat hij had opgedragen aan Engeland in ieder geval op het zelfde eiland verfilmd zou zijn. Het Britse land dat Tolkien geïnspireerd heeft tot zijn boek.

Vanwaar deze gedachte: omdat het Schotse landschap daadwerkelijk magisch is. De uitgestrekte bergen, de smalle paden, de leegheid, of soms juist de overdadige bossen vol bomen met onvoorstelbare, bijna magische vormen. Hoewel wat klein uitgevallen, zijn we op één van onze wandelingen zelfs Treebeard himself ontmoet.

De wandeling door het Ariundle Nature Reserve, nadat we voor de middag rond het net wat minder mysterieuze bosbouwgebied rond Polloch hadden gelopen, was misschien nog wel de meest indrukwekkende. Bomen zo groot, dik en kronkelig als daar ben ik in Nederland nooit tegengekomen.

’s Avonds, na een eenvoudige maar lekkere maaltijd van de hand van Jaap, stalden we onze spullen in het drooghok en namen we afscheid van wat tijdelijk onze stamkroeg was geworden, dit maal in de lounge van Strontian hotel. De volgende ochtend wachtte ons een lange autorit naar Banbury, Oxfordshire.

The Highlands – ma 9 aug. 2004

Er leek aanvankelijk wat onenigheid over de bestemming van die dag, maar ik wilde koste wat kost naar de Highlands. En dat deden we uiteindelijk ook. Met de pont eerst naar de overkant van Loch Sunart en via Fort William en Invergarry de Highlands in naar een plaats in de buurt van Allbeithe bij Loch Quoich. Het landschap is hier kaler, uitgestrekter en het weer die dag was mistig met af en toe motregen. Regenjassen aan dus.

De wandeling was korter dan gehoopt, al was het maar omdat we opnieuw vast kwamen te zitten met de auto, dit maal omdat het achteruit terugrijden op een smal, stijl en doodlopend pad ons wederom in een greppel deed belanden. Het was dit maal een Duits echtpaar dat ons wist te redden met een dappere Volkswagen als trekker.

We hadden op de heenweg al geïnformeerd of we die avond in een dorpje Haggis konden eten. Dat zou geen probleem zijn, maar het personeel die avond dacht daar anders over. Haggis stond slechts op het middagmenu. En hoewel Jaap vond dat we nog wat meer aan hadden moeten dringen, had ik de moed al weer opgegeven. Op naar Fort August dus, aan het Loch Ness, waar we in The Scottisch Kitchen uiteindelijk kregen wat we zochten: een traditionele Schotse Haggis. En het smaakte uitstekend.

Terug in Strontian nog even naar de pub van het Strontian Hotel, waar we dit maal nog enkele pints Guinness soldaat maakten alvorens naar bed te gaan.

How the west was won – zo 8 aug. 2004

De volgende ochtend een beetje duf wakker geworden van de vele Stella’s. Zonder ontbijt gingen Jaap en ik naar Ardnamurchan Point, het meest westelijke punt van het Britse vasteland. Het was nog een redelijk lange tocht langs bochtige eenbaanswegen die altijd enige paniek veroorzaken wanneer je een tegenligger tegenkomt. Grote voordeel van eenbaanswegen is dan wel weer meteen dat je niet per ongeluk rechts kunt gaan rijden.

Op Ardnamurchan Point staat een redelijk indrukwekkende vuurtoren, maar voor de rest stelt het meest westelijke puntje van het vasteland niet veel voor. Na een kopje thee en een schone in de naastgelegen teashop besloten Jaap en ik over de rotsen in de richting van witte stranden bij Portuairk te lopen. Helaas kwamen we erachter dat de rotsen van dichtbij veel minder goed beklimbaar waren dan ze van een afstandje leken. Het enige alternatief was de weg naar Portuairk.

De zee bij Portuairk ziet er magisch uit. De stranden in de baaien rondom zijn spierwit, maar in Portuairk zelf vormen prachtig uitgesleten platte stenen een prachtig pad in de zee (zie foto hierboven). Terwijl Jaap besloot wat langer van het uitzicht te genieten en te gebruiken als inspiratie voor wat tekeningen, liep ik de vijf mijl terug naar de vuurtoren om de auto op te halen, onderweg, zoals gebruikelijk in het beschaafde Groot Brittannië, iedereen groetend die ik tegenkwam.

Teruggekeerd had ik de auto ietwat onhandig geparkeerd in een door onkruid overwoekerde ondiepe greppel, zodat we de hulp van een landrover nodig hadden, alvorens we op zoek konden naar traditionele Schotse Haggis. Gezien het late tijdstip hebben we die echter niet meer kunnen vinden. De meeste keukens waren al dicht. Ook de Glenuig Inn in het gelijknamige plaatsje, die we nota bene eerst nog even hadden gebeld om te vragen of ze ook Haggis hadden. Later bleek echter dat we een klant aan de lijn hadden die dacht dat we een grapje maakten en dat dus ook deed. De aardige barvrouw wilde voor ons echter nog wel wat Haddock klaarmaken. En die smaakte, samen met de maaltijdsoep, eigenlijk ook geweldig. Volgde slechts de lange, onverlichte weg tentwaarts en een welverdiende nachtrust.

Klimmen – za 7 aug. 2004

Met een zelfgemaakt traditioneel engels ontbijt in de maag en een folder met wandelroutes plus kaart van de eigenaresse van de camping in de hand gingen we wandelen. Maar waar ik vooral een padenwandelaar ben, bleek Jaap zich vandaag in een recalcitrante klimgeitenbui te vinden. En dus bevonden we ons al snel niet meer op een pad, maar ergens in de dichtbegroeide bossen rond Strontian River. Onderweg heb ik mijn Breda Barst T-shirt verloren, en na twintig minuten backtracken weer gevonden. Het was een hele tocht, niet zozeer qua afstand, maar wel qua hindernissen.

’s middags rond een uur of twee arriveerden we in Strontian, waar we aan de brink van het dorp, vlak bij het Loch Sunart onze lunch genoten. Het was een hele tocht, niet zozeer qua afstand, maar wel qua hindernissen. Voor het tweede deel van onze reis besloten we de Beinn Resipol te beklimmen, volgens de folder een ‘long half day trip’. En hoewel we laat begonnen aan de klim, hadden we goede moed.

Nu is dit denk ik het moment waarop ik een en ander moet vertellen over het Schotse berglandschap. Stel je eens een stenen landschap voor met flinke hoogteverschillen. Op die rotsen groeit mos, dat weer gaat rotten en een goede voedingsbodem vormt voor gras en heide. De hele stenen berg wordt dus bedekt door een magisch groen laken van gras, heide en andere beplanting, met af en toe een scheur in het laken waar stenen rotspunten uitsteken. Deze bedekking werkt als een soort spons. Het leuke daarvan is dat zich op een heleboel plaatsen waar het laken ‘lek’ is, stroompjes vormen.

Onze tocht was soms modderig, maar over het algemeen goed te doen. We naderden de top sneller dan verwacht. Tot onze teleurstelling echter, ontdekten we dat de echte Beinn Resipol achter de top lag die we op dat moment bijna hadden bereikt. Die was niet alleen nog bijna de helft hoger, om deze te bereiken moesten we eerst weer een flink stuk naar beneden. Aangezien we dat niet gingen zonder in het donker terug te hoeven, besloten we dat maar te laten en ons te beperken tot het bereiken van wat later de Beinn al Al Albannaich bleek te zijn. Daarvan hierboven een panoramafoto (circa 180 graden).

’s Avonds op de camping samen met Jaap Spaghetti en sla klaargemaakt. Hoewel het lekker weer was, had ik een jas aan en een handdoek over mijn hoofd. Dit om te voorkomen dat ik geheel lek gestoken zou worden door de midgies, een agressief klein muggensoort dat met honderden tegelijk op je afvliegt om je helemaal lek te prikken. En dat deden ze dus ook bij mij, terwijl ik normaal nooit door muggen lastiggevallen word.

Het aparte van deze muggen is dat ze uitermate traag zijn. Zolang je in beweging bent, heb je er geen last van, pas als je stilstaat komen ze als een squadron F16’s op je af. Toen Jaap en ik op een bankje ons eten probeerden op te eten (inmiddels met regenjas en capuchon op), richtten de muggen zich op het enige stuk blote huid dat ze konden vinden: het gezicht. Dat was het moment waarop wij de auto invluchtten om daar ons avondeten te nuttigen.

Die avond naar de enige pub in het dorp, waar we de nodige Stella’s Artois hebben gedronken, en de foto’s van de vacantie van Jaap in Tsjechië hebben bekeken. A day well spent.

Lange rit – vr 6 aug. 2004

Wie denkt dat Schotland een klein stukje berg ten noorden van Engeland is, heeft het mis. Het grondgebeid beslaat ruim een derde van het Verenigd Koninkrijk, dat naast Engeland ook nog Wales en enkele eilanden, waaronder de Isle of Man bevat.

De rit van Kingston-upon-Hull naar de Schotse grens duurt sowieso al een uur of vier en dan begint het pas echt. De lange tocht op provinciale tweebaanswegen door de bergen, altijd rijdend achter een trage automobilist die niet harder durft dan driekwart van de toegestane maximum snelheid, wachtend op het moment dat de weg even recht genoeg is om een veilige inhaalmanoeuvre te maken.

Met voldoende pauzes, ontbijt, de eerste zes afleveringen van The Hitchhikers Guide to the Galaxy en meerdere lunches op parkeerplaatsen langs de weg, inkopen in Sterling en als avondeten fish ’n chips (met rode-wijn-azijn) in een sleezy fast-foodtent in Fort William, volgde het laatste en wellicht spannendste deel van de reis: in het pikkedonker over een eenbaansweg (maar desondanks wèl tweerichtingsverkeer) naar eindbestemming Strontian (inderdaad, hier is in de mijnen voor de eerste keer het naar de plaatsnaam vernoemde element Strontium gevonden). Ondanks het late moment van arriveren (het was al ver over tienen) konden we probleemloos op de camping terecht, waar we, tijdens het opzetten van de tent, het opblazen van de luchtbedden en het drinken van een welverdiende pils, kennis maakten met één van de meest vervelende dingen aan de westkust van Schotland: the midgies. Maar daarover later meer.

Inpakken – do 5 aug. 2004

Ik kon lekker uitslapen. De boot naar Hull zou pas ’s avonds om 21.00 uur vertrekken. Dus heb ik ’s middags de auto nog eens goed uitgemest, de laatste cassettebandjes en cd’s in de daarvoor bestemde doos en map geordend (alfabetisch-chronologisch), nog wat laatste vakantiebenodigdheden aangeschaft en tegen de avond naar de ouders van Jaap gereden om hem daar op te halen. Uiteraard ben ik daarna nog eens langs huis gereden (ik had mijn oude groene kaart meegenomen die toevallig vandaag verliep) en daarna nog een bezoek aan de supermarkt gebracht (bier). Een kwartier voor de uiterste inchecktijd reden wij met de auto de boot in.

Nu ben ik een beetje een luxe-paard, dus bij de reis op de ferry waren slaapcabines inbegrepen. Daarnaast konden we aanschuiven in van te voren gereserveerde ‘all-you-can-eat-restaurant’ van de Pride of Hull. Niet voordat we echter hadden uitgewaaid op het dek, met een supermarktblikje bier in de hand.

Na het eten wederom met de blikjes Dommelsch naar het dek gegaan. Ik had Jaap immers al een paar weken niet meer gezien en we hadden heel wat bij te praten. Tot mijn ongenoegen kregen we echter al snel gezelschap van een dame uit Zwitserland, die we de rest van de avond, die we na een uurtje of wat aan één van de bars van de boot hebben doorgebracht, niet zonder onfatsoenlijk te worden van ons af hebben kunnen schudden. Geheel intentieloos kon ik aan het eind van de avond echter wel concluderen dat deze dame meer dan haar deel van de drankrekening had betaald. Elk nadeel heb z’n voordeel.

Tot later – wo 4 aug. 2004

Gezelligste werkplek van Gent

Vandaag bij de begrafenis van Jacqueline geweest. Zij was onze vroegere overbuurvrouw en stond letterlijk altijd voor ons klaar. Ze heeft met haar vorig jaar overleden man Frans onnoemelijke keren op ons gepast en we waren altijd welkom. Ik ben zelf niet gelovig, maar Jacqueline zou ervan overtuigd zijn dat ze nu weer herenigd is met haar man. Daar zal ze de laatste dagen van haar leven troost uit geput hebben. Het zijn nu de kinderen en kleinkinderen die haar moeten missen.

Mocht je je zorgen gaan maken: ik ben niet kwijt. Maar vanaf morgen wel zo’n 18 dagen weg. Eerst naar Schotland (wandelen), daarna naar Engeland (Cropredy Folk Festival) en daarna naar Hasselt (Pukkelpop). Daarna zal ik waarschijnlijk nog even moeten recupereren, dus verwacht de komende drie weken even geen updates op dit log. Vanaf nu ben ik niet alleen politiek, maar ook log-technisch op reces.

Quelle pannage? – di 3 aug. 2004

Het was drie keer knipperen, maar het stond er toch echt: ‘heet en vers’. En ook nog gratis thuisbezorgd. Bij nadere inspectie bleek het niet de etalage van de Gentse escort-service, maar gewoon die van een pizza-boer.

Drie pluimen voor Garage Nuitermans op het Spinveld. Niet alleen was hij a) open, b) niet onderbezet en c) niet helemaal volgeboekt tot september, ook was hij d) bereid diezelfde middag nog even te kijken naar mijn probleem. En wat gisteren (zie web-log ma 2 aug. 2004 en zo 1 aug. 2004) nog leek op een lekke koppakking bleek na drie kwartier inspecteren en olie wegsluiten een prop in de luchtleiding te zijn. De luchtleiding? Ja, de luchtleiding!

Snakkend naar adem probeerde mijn motor al dagenlang lucht te krijgen via alternatieve kanalen, daar zijn luchtwegen verstopt zaten. Die lucht had die uiteindelijk wel gevonden, maar moest daarvoor wel de olie in het systeem alle kanten op blazen en zuigen. Met een huis-tuin-en-keukentang werd de prop verwijderd. Een ingrijpende operatie met bijbehorend snijwerk van zo’n 650 euro was gereduceerd tot een kijkoperatie van twee tientjes. En ik kan gewoon op vakantie!