Homo Superans – zo 28 okt. 2007

Smallville

Nadat ik me vorig jaar al gestort had op de eerste zes seizoenen van Smallville, wordt op dit moment in de Verenigde Staten het zevende seizoen uitgezonden. Op donderdagavonden welteverstaan. Wat inhoudt dat ik, dankzij de uitvinding van breedband, ergens in het weekeinde die aflevering op mijn harde schijf heb staan.

Smallville is een serie over de jonge jaren van Clark Kent, beter bekend als de stripheld Superman. Net als de ‘echte’ Superman red hij uiteraard elke aflevering wel iemand en opvallend vaak zijn jeugdliefde Lana Lang. Tot zover niets bijzonders. Echter, een serie die al zeven seizoenen loop, moet, wil het leuk blijven, op een gegeven moment wel heel erg uit de pas gaan lopen met de canon van Superman. En dat gebeurt dan gelukkig ook.

Nog even los van het feit dat iedereen natuurlijk wel een goede conditie, kracht en fysiek zou willen hebben zonder er ook maar iets voor te hoeven doen, en dat het superheldendom dus altijd zo zijn aantrekkelijke kant heeft (vliegen lijkt me bijvoorbeeld ook hartstikke leuk), is er nog iets anders dat me fascineert. Zoals wel vaker met series over superhelden gaat ook Smallville uiteindelijk over goed en kwaad. En geheel volgens Amerikaanse normen ook over individuele vrijheid. Maar wat dan op zich wel weer heel aardig is dat zo’n beetje elk personage in de serie zowel goed als kwaad kan zijn. Lex Luthor ontwikkeld zich van een aardige, zij het misleidde bon-vivant naar een obsessieve machtswellusteling die sans scrupule alles in het werk zet om zijn doel te bereiken, terwijl zijn vader zich juist lijkt te ontwikkelen naar iemand met weliswaar een dubbele agenda, maar niet noodzakelijkerwijs een te veroordelen agenda.

En nu bevinden we ons dus ineens in een licht existentialistische overdenking. Want zelfs de makers van Smallville zijn het er dus over eens dat de keuze tussen goed of slecht handelen een vrije en individuele keuze is dat de ontwikkeling van de mens dus niet eendimensionaal hoeft te zijn. Maar als dat inderdaad zo is, waarom kijk ik dan in godsnaam naar zo’n flauwe serie?

Homo Actor – za 27 okt. 2007

Theater

Voormalig Theater Het Slot had, in het kader van het stedelijk cultuurdebat, een avond georganiseerd over podiumkunsten. De aanpak was op zijn zachtst gezegd theatraal.

Voor de gelegenheid had theatermaakster Hanna Buda een forum samengesteld. De bedoeling was echter niet dat het forum daadwerkelijk met elkaar in debat ging, het was de bedoeling dat het forum op een prikkelende manier met elkaar acteerden dat zij met elkaar in debat gingen. Daarvoor had zij geen acteurs ingehuurd, maar kunstenaar Jaap Mulder, kunstenaar Michael Jepkes en kunstenaar Dennis Elbers. En ik, zei de gek.

Als gelegenheidsacteur kregen we allemaal een rol toebedeeld. Jaap was de kunstenaar, Michael de kritische toeschouwer, Dennis de ondernemer. Ik kreeg de rol van de politicus toegewezen. En hier wordt het gevaarlijk. Want wat als de bezoekers onze rollen niet zou doorzien en de citaten daadwerkelijk zou opvatten als gehuldigde standpunten.

‘Ach’, zei Jaap Mulder. ‘Politici spelen altijd toneel en zeggen niets’. Nu werd het voor mij verwarrend. Beledigde hij nu de geacteerde politicus in zijn rol van kunstenaar, of was het de ware kunstenaar Jaap die mij persoonlijk aanviel.

Daarmee was de verwarring ontstaan. Kunst moet rebelleren tegen zijn eigen waarheid, had Jaap eerder gezegd. Hij wist er op dat moment direct en effectief een levenshouding van te maken.

Homo Notans – vr 26 okt. 2007

briefje

De barman gaf me een briefje. „Sinterklaas is de paus. De paus zal en wil geloven, maar Sinterklaas is niet gewillig, dus een paard!”. Ik kon weinig met de opmerking en ik besloot een briefje terug te schrijven.

En zo begon een langdurige uitwisseling van briefjes met de barman. Van mij de opmerking dat ik liever een liefdesverklaring of een waardebon voor gratis drank had gehad, van hem vervolgens het aanbod voor een gratis shotje. Van mij de vraag waar ik uit mocht kiezen, zijn antwoord dat ik kon kiezen uit Vodka, Malibu of Jack en de mededeling dat we hem samen moesten opdrinken. Van mij de vraag wat hij zelf het liefst dronk, zijn antwoord dat zijn keuze zou vallen op Malibu. Vervolgens mijn mededeling dat ik Malibu niet zo lekker vindt, maar hem een plezier zou doen door er toch voor te kiezen, zijn reactie dat hij het grappig vond om me te tergen.

Het voelde een beetje als op de middelbare school. En nadat de twee shotjes Malibu ingeschonken en opgedronken waren, ging het geschrijf verder. Over de mogelijkheid om een reclamebureau of een bar op te zetten of een kunstduo te vormen. Hoe dan ook, uiteindelijk had ik z’n telefoonnummer. En daar ging het toch eigenlijk vooral om.

Homo Varius – do 25 okt. 2007

Deksel van de put

Het was onbespreekbaar, onder de vorige cultuurwethouder. Onder géén beding mochten onder zijn bewind de directeuren van de cultuurinstellingen een cultuurdebat organiseren. Dat uiteraard tegen mijn zere, vrijzinnige been. „Een cultuur van angst en dreigementen zal het veld lamleggen. Dat geeft jou misschien vrij baan je beleid zonder tegenwind uit te voeren, maar leidt uiteindelijk niet tot een vruchtbaar cultureel klimaat.”, schreef ik de toenmalige wethouder in een open brief.

Toen we in Breda na de verkiezingen deel gingen nemen in de coalitie en onze externe wethouderskandidaat ook nog eens de portefeuille cultuur toegewezen kreeg, leek het dan ook een goed moment om nog eens op die episode terug te komen. „Wilbert”, zei ik tijdens een lunch met uitsmijter tegen de toen aanstaand wethouder, „als je nu echt de harten van de cultuurmensen in Breda wilt openen, dan is het wellicht verstandig om een cultuurdebat af te kondigen”. En Wilbert zou Wilbert niet zijn als hij dat grootser aanpakte dan ik zelf had durven dromen.

Het groot stedelijk cultuurdebat is nu al enkele maanden gaande en het wil niet bepaald zinderen. En inmiddels is de slotmanifestatie in zicht. Bij de openingsavond van het cultuurdebat riep ik al op tot het roze schilderen van fietspaden, of het volplakken van de Kathedraal met gele post-it memootjes. Of iets anders geks wat kunstenaars zo af en toe eens doen onder het mom van een maatschappijkritisch statement. Helaas, het bleef oorverdovend stil.

Goed, ik heb al vele avonden in zaaltjes mogen doorbrengen waarin eerst jongeren, vervolgens kunstenaars, dan weer vrienden van het Bredaas Museum en uiteindelijk theatermakers met elkaar in gesprek gaan over het cultureel klimaat in de stad. Het blijft echter bij de wisseling van woorden en meningen. De enige die het publiek enigszins wist te tarten was schrijver/columnist/beroeps-enfant-terrible Oscar Kocken. En hij was nota bene ingehuurd en komt daarnaast ook niet uit Breda. Kunnen we zelf echt helemaal geen schokgolf teweegbrengen?

Vorige week nog hoorde ik een oudere kunstenaar weeklagen over alle regels waaraan kunstenaars zich moeten conformeren om voor subsidie in aanmerking te komen. Dat alles uiteraard, zo analyseerde hij, ten koste van de autonomie van de kunstenaar zelf: ‘Kunstbeleid leidt tot beleidskunst’. Overigens kon de man weinig waardering opbrengen voor veel van zijn jongere, postmoderne vakbroeders. „Quatsch”, riep hij uit, waarmee hij meteen bewees dat overheden met hun subsidieregels nog altijd minder bevooroordeeld en bevoogdend zijn dan sommige kunstenaars. Ik stelde me voor dat hij zich na ons gesprek weer voor een week of twee veilig in zijn atelier zou opsluiten, ver van de grote boze buitenwereld.

Uiteindelijk besloot ik zelf maar iets te organiseren. De avond voor de slotmanifestatie. Een soort pré-slotmanifestatie-party. Een cultuurdebat zonder woorden, maar met kleuren, vormen en klanken. Waarin een gitaar en een verfkwast met elkaar in debat gaan. Een avond waarop dansers en drummers het podium delen en waarop Bredase muzikanten muziek uit alle windstreken ten gehore brengen. Een debat tussen cultuur, in plaats van over cultuur. Nu kan het natuurlijk allemaal gigantisch mislukken, maar politiek is net als kunst nu eenmaal geen roeping voor bangerikken. En eigenlijk ook niet voor mensen met een nogal enge visie over wat wèl en wat er vooral géén kunst genoemd mag worden.

Homo Obliviscens – wo 24 okt. 2007

Emptiness van Robb Fladry

Het is inmiddels een goede traditie dat ik enkele weken achterloop met mijn weblog. Een rare en volstrekt belachelijke traditie. Maar toch, traditie.

In een volle coupé probeer ik me te bedenken wat ik op woensdag 24 oktober deed. Zojuist heb ik mijn ontbijt naar binnen gewerkt met nog een vers fruitje er achteraan. Belachelijke naam voor sinaasappelsap trouwens. Maar het zet mijn geheugen niet in werking.  Wat deed ik in godsnaam op woensdag 24 oktober?

Ik heb mijn agenda thuis laten liggen en ook mijn memory-stick met al mijn e-mails. Nergens houvast, nergens steun. Geheugenloos ga ik deze dag door het leven. Want wat heb ik in godsnaam op woensdag 24 oktober gedaan?

Ik was die dag in ieder geval op mijn werk, net zoals de rest van de week. En het is zeer wel mogelijk dat ik die avond mijn maaltijd heb genuttigd in De Boulevard, iets wat ik wel vaker doe als ik geen zin meer heb om te koken. En ik ben daar vervolgens vast de rest van de avond nog blijven hangen. Alles is mogelijk. Wat gebeurde er in ‘s hemelsnaam op woensdag 24 oktober.

Woensdag 24 oktober, het is vergeten. Een witte vlek in het collectieve geheugen. Een leemte in de geschiedenis. Een gapend gat.

Homo Musicus – di 23 okt 2007

cultuurdebat

In poppodium MeZZ een nieuwe episode van het groot stedelijk cultuurdebat. Het ging, uiteraard, over het popklimaat in de stad.

Uiteindelijk waren het vooral de bekende gezichten die acte de présence kwamen geven. Op zich niet zo vreemd, want zoveel trekkers kent het Bredase popwereldje nu ook weer niet. Heel veel verassends werd er niet gezegd, maar dat maakt de uitkomsten van het debat niet minder relevant..

Drie dingen leidden uiteindelijk tot veel discussie in de zaal. Allereerst de sluitingstijden. Het is, ik heb het hier al vaker gezegd, voor organisatoren van dance-events belangrijk dat de openingstijden verruimd worden. Het huidige beleid om twee uur te sluiten, is volstrekt uit de tijd. En sommigen kunnen wellicht wel vinden dat mensen niet zo laat uit moeten gaan, dat wil niet zeggen dat die mensen zich daar ook maar iets van aan zullen trekken. Als straks het nachtnet ook Breda zal aandoen, dan zullen veel mensen geregeld afreizen naar de randstad, om daar naar dance-feesten te gaan. Wil je als Breda aantrekkelijk blijven, zullen de openingstijden rap worden verruimd.

Een tweede, breed gedeelde opmerking, ging over de mogelijkheden voor beginnende bands om op te treden. Directeur Frank Zijlmans werd verweten te weinig lokale bands te programmeren als voorprogramma van grote namen. ‘ik zou wel willen’, zei Frank, ‘maar bands nemen tegenwoordig vaak zelf hun eigen voorprogramma mee.’

Een derde opmerking ging over het POB, het plaatselijke popcollectief. Zou deze organisatie niet meer kunnen betekenen voor het begeleiden van bands en het ondersteunen van nieuwe initiatieven. ‘Ja’, vond iedereen. Maar de organisatie bestaat nu uit één betaalde kracht en een groep goedbedoelende vrijwilligers met een beperkte hoeveelheid tijd. Iets meer betaalde krachten om als begeleider op te treden, zouden zeer welkom zijn. En dat is uiteindelijk natuurlijk gewoon een ordinaire centenkwestie.

Ik voeg er zelf nog één opmerking aan toe. In Breda willen bands nog wel eens denken dat als je maar goed kan spelen, je er wel komt. Maar dat is niet zo. Als muzikant moet je bereid zijn keihard te werken, te repeteren en je suf te bellen om geboekt te worden. Dat is meer dan een demootje opnemen en rondsturen. En zelfs dat is alles behalve een garantie op succes. Het muzikantenbestaan is nu eenmaal zwaar.

Homo Consenescens – ma 22 okt 2007

Foto: Sjoerd Bakker

„Tring Tring”, zei de telefoon. Jesse, secretaris organisatie van de groenlinkse jongerenorganisatie DWARS zat met een probleem.

Jesse had de ledenlijst nog eens kritisch doorgelopen en daaruit bleek dat een heleboel leden niet subsidiabel waren. Dat probleem werd voor een deel veroorzaakt doordat DWARS ooit de leeftijdsdiscriminatie heeft afgeschaft en dus ook behoorlijk wat leden van boven de 28 kent. Ik ben er daar één van.

„Van het ministerie mag ons ledenbestand maar voor een beperkt deel uit dat soort oude leden bestaan”, zei Jesse, „anders verliezen we onze subsidie.” Ik luisterde aandachtig.

„Ik dacht, daarom bel ik jouw even, want misschien heb jij wel een oplossing. We moeten dus misschien een heleboel van die leden gaan uitschrijven. Maar ik wil ook een aantal van die oude leden die veel voor de organisatie gedaan hebben, aan ons binden. Want oude fossielen zoals jij behoren toch een beetje tot het meubilair van de organisatie.”

Jesse is een geweldige kerel. Maar soms kan hij per ongeluk heel confronterend zijn.

Homo Senescens – zo 21 okt. 2007

Oma van Tetering

Het ging verbazingwekkend goed met oma. Vorige maand keek ze als een verveel kind bij elke hap danoontje die we bij haar binnen probeerden te werken. Nu is ze weer de levendigheid zelve.

Het kan niet lang meer duren, dacht iedereen toen nog. Oma zat stoïcijns in haar stoel en vond dat eigenlijk wel best. Van haar hoefde het ook allemaal niet meer zo.

Nu, een maand later, kwebbelt ze weer opgewekt de oren van ieders kop. En met het grootste gemak verorberde ze een donut. Na een maand amper eten is alles ineens weer ontzettend lekker.

„Alle zusters zijn allemaal even goed”, vertelde ze over de thuiszorg, „Alleen die morgen komt, hoe heet ze ook al weer…”. Oma dacht even na. „Anne”, antwoordde ik, „die is n beetje kortaf hè?”

Even keek oma me indringend aan, waarna er een glimlach op haar gezicht verscheen. „dat heb ik zeker al verteld?” „Pas vier keer”, antwoordde ik. Even was het stil. Om vervolgens precies op de plek waar ze was gebleven verder te gaan met het verhaal. Oma is terug.

Homo Profugiens – za 20 okt. 2007

Hal van Elektron

Eigenlijk viel het niemand op toen tijdens de multi-mediale happening ‘The Great Escape’ het brandalarm in kunstverzamelgebouw Elektron afging. Dat lag nog niet eens aan het volume van de dj, dat weliswaar hard, maar niet oorverdovend hard stond. Het had met het soort geluid te maken. Het sirene-geluid paste namelijk prima in de muziek.

Na een minuut of wat keken Joris en ik elkaar aan. „Volgens mij hoort het helemaal niet in de muziek”, zei ik. Joris luisterde ook nog eens goed en kwam tot dezelfde conclusie. En naarmate de sirene steeds verder uit de maat van de muziek liep, begon het ook andere bezoekers op te vallen.

Overigens was dat nog steeds geen reden voor mensen om naar buiten te lopen. Brandalarmen gaan namelijk altijd af als er geen brand is, zo leert de ervaring. Van een ‘Great Escape’ was in ieder geval nauwelijks sprake. En al snel bleek dat één of andere onverlaat de nogal directieve boodschap ‘breek het glas’ iets te letterlijk had opgevat.

Aangezien kunst volgens sommigen permanent tegen zijn eigen waarheid hoort te rebbeleren, zou je het brandalarm op die avond als een geslaagde vorm van kunst kunnen beschouwen. Dat werd nog versterkt door het beeld van bezoekers die het geluid probeerden te dempen door toiletpapier in de sirene te proppen. Het alarm kon aanvankelijk namelijk niet direct afgezet worden.

Zelf dacht ik aan de mogelijkheden voor een effectiever alarm, speciaal voor dj-avonden. Ik dacht aan een vioolsonate van Beethoven. Dat valt ten minste op tijdens een elektro-set.