
In colonne liepen de kamp-deelnemers terug naar het station. Het vooruitzicht van het nakende afscheid lag zwaar op ieders gemoed.
Enkelen hadden we achter moeten laten. Zij zouden nog wat laatste zaken opruimen en regelen, of moesten met een latere trein in de richting van Groningen. Wij, veruit de grootste groep, zakten af naar het zuiden.
In Amersfoort ontvielen ons weer enkele mensen en konden we het gezelschap van vijf vierzitters al terugbrengen tot drie. Nadat we in Utrecht aankwamen, splitste de groep zich opnieuw.
Met Jan-Lars en Rick reisde ik nog door tot ‘s Hertogenbosch. Daar was het mijn beurt om te verlaten. Mijn reisgenoten zakten verder af naar Eindhoven en Maastricht, terwijl ik alleen mijn reis in de richting van Breda vervolgde.
Toen ik eenzaam in de coupé zat, kwamen flarden van herinneringen aan het afgelopen weekeinde boven. Hoe mijn team tot twee maal toe won met touwtrekken, het gesprek met Kathalijne Buitenweg, hand in hand door het bos wandelen met de überschattige Maritjuh, het onmenselijke geschreeuw om de groep wakker te krijgen en hoe iedereen de slaap uit de ogen wreef en het hooi uit de slaapzak klopte in de tot slaapzaal omgebouwde hooizolder.
Terwijl de aftiteling over mijn netvlies rolde, werd Breda omgeroepen. Intens gelukkig stapte ik uit. Het afgelopen weekeinde was ik thuis. Nu was ik het weer.








