Ik had een feestje in Utrecht. Een verjaardagsfeest. Van een vriend die eertijds nog boven een café aan het Ledig Erf woonde, maar inmiddels is verhuisd naar de Plompetorengracht.
Normaal zou de gang naar zo’n feestje ellenlange voorbereiding vergen. Ooit nog met een stadsplattegrond die ik over heb gehouden aan mijn studententijd. Later met routebeschrijvingen van Google Maps en als ik die weer eens op de printer had laten liggen routebeschrijving uit de handige printmachine op het station van Utrecht.
Dat gezwalk in het donker in een slechts deels bekende stad leverde standaard omwegen op. Altijd nam ik ergens wel een verkeerde afslag of vond ik de kaart te onduidelijk. Maar dat is inmiddels allemaal verleden tijd.
Mijn nieuwe N97 met kaarten en ingebouwde GPS-ontvanger hoef ik nooit meer te laat op een feestje te zijn.
Het was het einde van de zomervacantie. Voor hen althans die zomervacantie gehad hebben. Het was ook het moment voor één van mijn vrienden om te stoppen met blowen.
Hij zou de week erop met een nieuwe opleiding beginnen en zijn dagelijkse gebruik zou te veel in conflicteren met zijn ambitie er iets van te maken. Maar voor het zover was moest wel eerst de voorraad worden opgerookt. Nu bleek die voorraad meer dan voldoende om een half continent mee te versuffen. Vrienden waren dan ook dan welkom. Waaronder ik, met mijn uitzonderlijk lage THC-tolerantie.
Daar zaten we, in de huiskamer. Met z’n vieren. Ik lag min of meer vastgeplakt, nee, gedrapeerd over een lederen fauteuil, terwijl A. al weer bezig was aan de voorbereiding van de volgende joint. Op de achtergrond was G. plaatjes aan het draaien. Hij had het erg naar zijn zin en had een brede grijns op zijn gezicht. Hij leek een beetje op Ralph van de Muppet Show. D. probeerde nog een goed gesprek met me aan te gaan, maar ik was al te ver heen. Geen enkel besef van tijd. Goh, het moet nu onderhand al wel heel laat zijn, dacht ik dan bij mezelf. Niets was minder waar, de klok tikte pas net tegen de elf.
De chocolade die ik als geste van dankbaarheid had meegenomen, ging rond. Mijn kiezen verpulverden de chocolade in steeds kleinere brokstukken die uiteindelijk versmolten tot een zoetige stroop die de hele binnenkant van mijn mond bedekte. De halve minuut leek een kwartier te duren. Ik stak een peuk op en verzette mijn linkervoet een paar centimeter naar rechts. Ik realiseerde me dat mijn lome benen mijn gewicht niet meer zouden kunnen dragen.
Na de zoveelste joint moest A. me zijn aquarium laten zien. Ik vermande me en probeerde los te komen uit de fauteuil. Iets dat warempel lukte. Vol spanning keken vier hoofden naar het aquarium vol vissen. Goed voor minstens tien minuten plezier. In blowersjaren is dat minstens een uur. „Kijk, daar gaat Snakebite”, wees A., wijzend op een adhd-erig visje dat de hele tijd spichtig door het aquarium zwom alsof ‘ie zojuist aan de speed gezeten had.
„Ik moet naar huis”, zei ik tot slot. „het is al laat.” In werkelijkheid was het pas net over twaalven. Te fiets reed ik huiswaarts. Hemelsbreed zo’n 700 meter, maar op dat moment ongetwijfeld de langste minuten uit mijn leven.
Een vriend van me is kunstschilder en vroeg me enige tijd geleden of hij mij mocht schilderen. Ik voelde me vereerd en stemde toe. Zo vaak gebeurt het niet dat iemand onderwerp mag zijn van een kunstobject.
En dus had Peter, die in onze vriendenkring standvastig Painter wordt genoemd, een fotosessie belegd. Hij neemt graag de tijd voor zijn doeken en had al wel bedacht dat ik niet van zins zou zijn om enkele weken achtereen stil op een stoel te gaan zitten.
„Had ik al verteld hoe groot het doek gaat worden”, vroeg hij me nadat hij na een half uur tevreden was over één van de foto’s die hij had geschoten. Ik schudde ‘nee’. „Eén tachtig bij één twintig”, antwoordde Painter.
Inderdaad, dacht ik in mezelf. Overdrijven is inderdaad ook een kunst.
Een week geleden hoorde ik op Pukkelpop al dat het niet zo goed ging met een vriend van me. We hoopten toen nog allemaal op Mexicaanse griep of een andere makkelijk behandelbare aandoening.
Vanochtend ging de telefoon. De uitslag van het onderzoek was binnen. De chemo zou vanaf maandag beginnen.
Een vrouw en een hond bezetten samen twee zitplaatsen in de stiltecoupé.
Een enkele keer blafte de hond zachtjes en ingetogen. De vrouw begon te praten. Even hoopte ik nog dat de vrouw tegen de hond zou zeggen dat deze zijn mond moest houden. Niets was minder waar.
De vrouw begon een ellenlang verhaal, daarbij af en toe een vraag stellend. De vrouw gaf er ook zelf telkens antwoord op. Zo werd het een levendige discussie, die de hond gelaten aanhoorde.
‘Woef’, blafte de hond vrijwel onhoorbaar toen de vrouw even pauzeerde in haar verhaal. Alsof hij tegen zijn baasje wilde zeggen dat ze in een stiltecoupé zat. Maar de vrouw luisterde niet. Zij herpakte zich en ging weer verder in haar monoloog.
Enerzijds was ik niet verbaasd over de nieuwe huisstijl van de NCRV. Vanaf de introductie eind jaren ’80 van een was eigenlijk al duidelijk dat het toen nieuwe logo waar de omroep met de kleine C zich het grootste deel van de negentiger en nuller jaren mee presenteerde, niet echt tijdsbestendig was.
Het typische knutselwerkje in herkenbare jaren ‘80 stijl was eigenlijk al gedateerd toen het werd gelanceerd. En alle versoberingen, stileringen en kleuraanpassingen die in de jaren daarop volgden, hebben daar niets aan kunnen veranderen. En dat maakt het extra bijzonder dat de NCRV bij hun nieuwe merkstrategie gekozen heeft voor het tot leven wekken van hun oude logo, waar ze in de jaren ‘70 en ‘80 bekend mee zijn geworden: de oranje wafel, met daarin de witte letters NCRV. Alhoewel omwille van de mode de oranje wafel is vervangen door vier grijze blokjes en de letters NCRV dit keer niet wit zijn, maar rood, groen, blauw en grijs. Een subtiele verwijzing naar de drie basiskleuren van waaruit een kleurentelevisie alle kleuren weet samen te stellen.
Laat ik nu niet schamper doen. Ik houd vaak wel van die oude logo’s en heb weinig op met alle restylingen die de afgelopen twee decennia hebben plaatsgevonden. De Rabobank is voor mij nog steeds de bank met een logo dat het meest op een procentteken leek, in plaats van dat rare androgyne mannetje en de PTT had behalve haar naam ook nooit de posthoorn en de kleur rood moeten verbannen. Veel van die nieuwerwetse logo’s hebben niet de kracht en de tijdloosheid van hun voorgangers. Gelukkig heeft de NS nog altijd de spoorwissel als logo.
Wat bij de nieuwe NCRV echter nog vele malen meer aanspreekt dan het nieuwe, oude logo is het spotje dat hoort bij hun nieuwe corporate identity. Een spotje waarin allerlei individuen passeren en in enkele steekwoorden zeggen wat ze voelen, waar ze zin in hebben, wat hun tekortkomingen zijn of juist hun pluspunten. Enerzijds typisch NCRV dat mensen in de waarde laat, anderzijds heel fris, omdat de NCRV met het spotje duidelijk aangeeft de diversiteit in de samenleving te omarmen. En dat is in een tijd van toenemende polarisatie, waarin de veelkleurige samenleving door velen al lang niet meer als vanzelfsprekend wordt gezien, best een verademing te noemen.
De camping was al half afgebroken toen we die ochtend uit onze tenten kropen. Het was al dagen achtereen gruwelijk mooi weer. We trokken de laatste blikjes bier open.
Over het festivalterrein vlogen flarden van gesprekken. Her en der staken vertrekkende festivalgangers hun tijdens het weekeinde gescheurde of simpelweg versleten tent in brand. Telkens rende de campingbrigade naar de brand toe om deze te blussen. Pukkelpop heeft van die vreemde tradities.
Het was al goed en wel in de middag voordat ons zevenmanschap voor de laatste keer in de richting van de uitgang liep en per bus naar het treinstation van Hasselt werd vervoerd. Daar scheidde Oost-Brabant zich van West-Brabant. Tom pakte de trein naar Leopoldsburg, de rest van de groep reisde via Antwerpen naar Roosendaal en Breda.
Ik wil het station van Antwerpen een groot compliment maken. Niet zozeer vanwege de frieten die er te krijgen zijn, maar vooral vanwege het feit dat er frisdrankautomaten op het station staan waar ook gewoon blikken Jupiler in zitten. Het was de zondag na Pukkelpop, we hadden nadorst.
Zo zeer zelfs dat, eenmaal aangekomen in Roosendaal, we besloten eerst nog wat biertjes te drinken in het stamcafé van mijn nieuwe Roosendaalse festivalmakkers, De Heksenketel. Ik deed datzelfde later nog eens dunnetjes over in de Boulevard.
Pas ergens rond middernacht sjokte ik, met een nog steeds te zware backpack met stoelen en tent, mijn slaapkamer binnen.
Ons Pukkelpopgroepje vormde een ketting van mensen die elkaar nooit eerder gezien hadden.
Zo had ik behalve Roadtotom ook gevraagd of Axel meeging, die op zijn beurt zijn ik-ben-verschrikkelijk-verliefd-op-je-maar-we-hebben-geen-relatie-want-binnenkort-ga-je-een-jaar-naar-het-buitenland-en-ik-wil-je-dan-niet-ontzettend-gaan-missen-achtige-net-niet-vriendin Freddie had meegenomen. Coole chick trouwens en definately one-of-the-guys, iets dat ik me besefte toen ze op de tweede festivalmorgen ineens keihard over de camping schreeuwde dat al haar tampons nat waren geworden in de regen. Dat voorafgegaan door diverse verwensingen.
Djono was een oude schoolmakker van Axel en heeft een lief soort woede tegenover de wereld en de mensheid in het bijzonder. Maar stiekem is ‘ie eigenlijk gewoon hartstikke aardig, al heeft ‘ie dat zelf niet altijd in de gaten. Djono had vervolgens weer twee maten uit het Roosendaalse meegenomen, luisterend naar de namen Alex en Marijn. Alex was een hard-rocker gone quiet en Marijn sprak 21 talen.
Pardon? U zei? Ja, één-en-twintig talen. Dat begon ooit in een zomervakantie met het aanleren van Japans, puur en alleen om zijn school te laten zien dat zijn slechte punten voor Frans en Duits niet de schuld waren van zijn luiheid, maar het resultaat van een uitermate belabberd onderwijssysteem. Niet dat ‘ie ooit in Japan is geweest trouwens, maar met Manga-films kom je al een heel eind.
Ik kon er echt niets aan doen. Maar ja, 21 talen. 愛.
„Als je nu nog even wacht met die jonko, dan ga ik even naar het toilet en rook ik zo met jullie mee.” Maar Ax had geen zin om te wachten, dus toen ik na een minuut of tien terug was op onze kampplaats op de weide, was de joint al op.
Axel had inmiddels al weer een nieuwe gebouwd, waar hij zelf moeiteloos de eerste helft van op rookte. De tweede helft was, gezien dat de rest van het gezelschap al tamelijk relaxed was, helemaal voor mij.
„Wow, die heb je behoorlijk straf gedraaid”, constateerde ik. „Ja”, zei Axel breed grijnzend, „en ik heb het meeste aan het eind gestopt.”
Half stoned stond ik bij het optreden van Vampire Weekend in de Marquee. En hoewel het natuurlijk mijn verbeelding geweest kan zijn, heb ik sterk het idee dat ik ergens aan het einde van dat optreden een stel Vlamingen de polonaise zag doen.
Hoewel we toch niet eens zo heel laat wakker werden, misten we op een paar noten na het gehele optreden van The Maccabbees, de opener van Pukkelpop 2009. De muziekgoden leken ons goed gezind: het was fantastisch weer.
The Baddies namen het meteen over in de Club om een drie kwartier later plaats te maken voor The Twang, een band van wie ik het debuut in 2007 kennelijk even gemist heb. Een tot dan toe weergaloos begin van Pukkelpop die me deed vrezen dat de bestelling die ik de week erop in mijn platenwinkel zou moeten gaan plaatsen alle eerdere records ruimschoots zou gaan overtreffen.
Het beloofde een mooie drie dagen te worden daar in Kiewit. Tevreden lag ik op de weide en bladerde nog even door het programmaboekje en zag alle bands die ik nog ging zien of jammerlijk zou gaan missen. The Big Pink, DeVotchKa, The Offspring, Maxïmo Park, The Deftones, Beirut, Faith No More en My Bloody Valentine. En dat was dan alleen nog maar dag 1.