Mag een politicus zijn eigen Wikipedia aanpassen wanneer daar aantoonbaar feitelijke onjuistheden instaan? Het was een vraag waar het nieuw geïnstalleerde Kamerlid Jolande Sap mee te maken kreeg. Haar geboorteplaats klopte niet en ze woont ook niet in een woongroep.
Nadat eerder ministers, ambtenaren en leden van het Koninklijk Huis voor hen onwelgevallige informatie verwijderden uit Wikipedia-pagina’s, leek de grootste encyclopedie van de wereld toch even niet zo betrouwbaar als sommigen dachten. Leek, zeg ik er met nadruk bij, want de wijzigingen werden niet alleen vrij snel opgespoord, de makers werden ook onthuld. Al met al leek het me dus allemaal niet zo’n goed idee om vanaf de Kamer een paar fouten uit de biografie van Jolande te verwijderen.
Dan maar thuis, met mijn eigen IP-adres en, want openheid is nu eenmaal een groot goed, ook onder mijn eigen accountnaam. Jolande is niet geboren in Arcen, maar in Venlo. Zo, het hoge wood is eruit. Ik heb Jolande Sap bewerkt.
De krant van zwakker Nederland deed vandaag ook weer een Duyvendakje. Deze keer over de publicatie in het linkse actieblad Bluf! van juli ’85 van de adressen en telefoonnummers van zes ambtenaren van het directoraat elektriciteit en kernenergie van het ministerie van Economische Zaken.
Enerzijds oud nieuws. Immers, wie de moeite neemt om naar het Instituut voor Sociale Geschiedenis te gaan, kan de 312 nummers van het blad gewoon inzien. En ongetwijfeld staan daar nog genoeg andere leuke dingen in die men in de krant kan zetten. Een ‘ludieke’ oproep om de paus neer te schieten bijvoorbeeld.
Goed, oud nieuws dus, ware het niet dat uit een onderzoek van Clingendael (blz. 413) nu duidelijk is geworden dat na aanleiding van de publicatie ook daadwerkelijk mensen zijn geweest die gehoor hebben gegeven aan de oproep ‘Verstoor de rust van deze onruststokers’.
Waar de inbraak op het ministerie een geweldloze actie was, is bovenstaande oproep dat allerminst. En daar waar de inbraak bij het ministerie, gezien het tijdsgewricht, de jeugdige onbezonnenheid, het geweldsloze aspect en het doel – onterecht door de minister achtergehouden informatie openbaar te maken – met enige moeite misschien nog te vergoelijken valt, schijnt deze actie toch alweer een veel schimmiger licht op het actieverleden van Duyvendak.
De beerput is open en als er vanmiddag inderdaad nog iemand naar het Instituut voor Sociale Geschiedenis gaat, zal dat de komende weken niet minder worden. En dan rijst zo langzamerhand de vraag of de positie van Duyvendak nog houdbaar blijft.
Los van de vraag wat een Kamerlid nu allemaal wel en niet op zijn kerfstok mag hebben, heeft Duyvendak politiek veel krediet verloren bij collega-kamerleden en een deel van de achterban. Daarmee is hij politiek zijn belangrijkste wapen kwijt. Of, om maar een lekker incorrecte vergelijking te maken: wat is een inbreker zonder breekijzer? En dan wordt het zo langzaamaan misschien tijd om de vraag te stellen.
Nu Duyvendak bekend heeft betrokken te zijn geweest bij de inbraak op het ministerie van Economische Zaken, en door sommigen zijn positie als Kamerlid aan de orde is gesteld, rijst de vraag wat je als volksvertegenwoordiger nu allemaal wel en niet mag. En wat je wel en niet allemaal op je kerfstok gehad mag hebben.
Allereerst is er natuurlijk het strikt juridische argument dat, zolang het kiesrecht je niet is ontnomen of je op het moment van verkiezingen in de gevangenis zit, je op een lijst mag staan. Dit alleen is echter onvoldoende, aangezien er andere situaties zijn, waarbij een politieke positie niet meer te handhaven is. Wanneer een minister van verkeer en waterstaat wordt betrapt op rijden onder invloed, zal ongetwijfeld gevraagd worden om zijn aftreden.
Echter, geldt dit ook voor fietsen onder invloed? Of gewoon lopen. In feite zijn deze verkeersdeelnemers strikt juridisch genomen net zo fout bezig, al heeft de samenleving in zijn algemeenheid daar een ruimhartiger oordeel over. En hoe zit het dan met iemand die vroeger is betrapt op rijden onder invloed.
Ik ben van mening dat iemand die ooit een strafbaar feit gepleegd heeft, in principe geschikt is voor het ambt van volksvertegenwoordiger, mits aangenomen mag worden dat deze persoon zich gerehabiliteerd heeft. In het geval van Duyvendak is hiervan sprake: hij zou nu een andere keuze gemaakt hebben dan inbreken, zijn misdaad is verjaard en hij heeft zich de laatste tijd niet schuldig gemaakt aan soortgelijke of andere misdrijven.
Het extra lastige in de kwestie Duyvendak is, dat het in zijn geval niet gaat om een ‘normale’ inbraak. Een normale inbreker steelt om geldelijk gewin. Duyvendak heeft materiëel gezien niemand benadeeld met zijn daad, dat was ook niet de intentie. Wat hij deed was het openbaren van informatie die voor de Kamer en voor het volk geheim gehouden werd, zonder dat hier een legitieme reden voor was. De toenmalige Tweede Kamer erkende dit ook. Desondanks blijft de inbraak op zichzelf een strafbaar feit. Het is echter de vraag hoe deze inbraak zich, moreel gezien, verhoudt tot, pak ‘m beet, het ’s nachts kraken van een bank. En dat is een interessante questie die wat mij betreft beter door ethici dan politici beantwoord kan worden.
Overigens heb ik inmiddels mijn lesje wel geleerd. Ik wacht nog even met mijn onthullingen totdat ik uit de actieve politiek ben. Daarnaast is het bezetten van het Shell-laboratorium lang niet zo interessant als het inbreken bij een ministerie.
Soms lijkt het wel alsof er sprake is van een traditie. Telkens als de komkommertijd zijn dieptepunt bereikt, komt GroenLinks met een schandaal naar buiten. Na de affaire Pormes vond DWARS vorig jaar een bom en nu blijkt Kamerlid Wijnand Duyvendak een inbreker.
Op de Glogosfeer is de vergelijking al getrokken met Sam Pormes, die jarenlang verzweeg en ontkende in de jaren ‘70 op een terroristenkamp in Zuid-Jemen te zijn geweest. Toen dit alsnog naar buiten kwam, werd Pormes gevraagd zijn zetel in de senaat op te geven. Nadat hij hier geen gehoor aan gaf, werd een royementsprocedure opgestart die uiteindelijk bij de partijraad sneuvelde en leidde tot het aftreden van toenmalig voorzitter Herman Meijer.
Die vergelijking gaat maar ten dele op. Allereerst is het vergrijp waar het om gaat van een geheel andere orde. Pormes liet zich in met een omgeving die zich bezig hield met gewelddadige acties tegenover mensen. Dat is van een andere orde dan het inbreken om geheime plannen openbaar te maken. De actie van Duyvendak was geweldloos. Daarnaast beoogde het informatie openbaar te maken, die de regering achter hield in een tijd waarop nog geen beroep op de Wet Openbaarheid Bestuur gedaan kon worden. Informatie waarvan ook de kamer vond dat deze door de minister zelf naar de Kamer gezonden had moeten worden, al keurde de Kamer de diefstal zelf natuurlijk af (dank aan David Rietveld voor het opzoeken van de handelingen), getuige onderstaande citaten.
Zo zei PvdA-Kamerlid Zijlstra in het Kamerdebat op 3 september 1983 naar aanleiding van de diefstal het volgende: „Het staat ook voor ons buiten kijf, dat de diefstal op zich zelf bezien afgekeurd moet worden. De wijze waarop de stukken in de openbaarheid zijn gekomen, is te betreuren. Het is echter evenzeer te betreuren dat de Kamer (…) in toenemende mate van bijzondere gebeurtenissen en van toevallige omstandigheden afhankelijk wordt. Een parlementaire democratie kan op deze wijze niet naar behoren functioneren. Wij verlangen van de regering (…) voortaan tijdige en volledige opening van zaken.”
Kamerlid Tommij (D’66): „Hij (Minister Aardenne, sç) was niet alleen kwaad op de actiegroep -dat was logisch, want diefstal kan niet worden goedgekeurd -maar meer nog op de pers, die gedeelten van gestolen documenten had gepubliceerd. (…) In elk geval wil ik duidelijk stellen dat (…) de pers, naar de opvatting van mijn fractie, niet alleen het recht maar zelfs de morele plicht had om met name de brief van de minister aan de Commissarissen van de Koningin in Noord-Brabant en Limburg in de openbaarheid te brengen. Openheid en controleerbaarheid zijn immers onmisbare fundamenten van ons democratisch systeem. De minister heeft hiervoor blijkbaar weinig gevoel.”
Kamerlid Lansink (CDA): „Een ruimhartiger informatievoorziening van de Kamer ware wenselijk geweest. Ook een op zichzelf begrijpelijke inspanningsverplichting moet vroeg of laat getoetst kunnen worden en dan liever vroeg dan laat. (…) De discussie was en blijft noodzakelijk, ondanks het gegeven dat de betwiste brief bekend werd na een in alle opzichten afkeurenswaardige diefstal van overheidsdocumenten”
Het doel heiligt niet per definitie de middelen, maar in dit geval is het niet onredelijk om te stellen dat Duyvendak c.s. vonden dat de openbaarheid van de informatie met betrekking tot de geplande kerncentrales van een dermate groot belang was dat het middel waarop het verkregen moest worden, namelijk door inbreken, moreel geoorloofd en gerechtvaardigd was. Het inhoudelijke debat dat in de Kamer gevoerd werd over de informatie, lijkt die redenering in eerste instantie te ondersteunen. De Tweede Kamer vond immers dat de informatie aan de Kamer bekend had moeten zijn.
Het tweede grote verschil tussen Pormes en Duyvendak is de wijze van openbaring. Waar Pormes altijd is blijven ontkennen, is Duyvendak nu open over zijn actieverleden. Hij brengt zijn verleden zelf naar buiten in een boek. Daarbij is overigens de vraag van belang of hij dit de verschillende kandidatencommissies heeft gemeld bij zijn kandidatuur voor het Kamerlidmaatschap. Voorziter Henk Nijhof bevestigt dat dit is gebeurd. Iets waarvan verder overigens alleen de voorzitter van de Kandidatencommissie uitsluitsel kan geven.
Wat niet erg handig is om, met het oog op de beschikbaarheid van het boek, nu twee weken te moeten wachten alvorens we het hele verhaal kunnen lezen. De vooraf verspreidde flaptekst is dan ook geen juweeltje van strategische communicatie. Duyvendak zelf zegt nu in een verklaring: „de keuzes die ik twintig jaar geleden maakte zijn op geen enkele manier de keuzes die ik nu zou maken” en neemt daarmee afstand van de gepleegde inbraak. Dat citaat verhoudt zich slecht met de flaptekst, die stelt dat voor Duyvendak het resultaat zwaarder telde dan de ideologie en daarmee suggereert dat hij de inbraak goedpraat. Aangezien de inhoud van het boek niet beschikbaar is, is het voor het publiek niet mogelijk zelf een oordeel te vormen. En dat is erg jammer.
De Tweede Kamerfractie van GroenLinks is ernstig verdeeld. Dat komt door een verbouwing. Een deel van de medewerkers en kamerleden moet daardoor tijdelijk elders in het gebouw werken.
En dus zitten het secretariaat, de publieksdienst, een aantal beleidsmedewerkers en het Kamerlid Tofik Dibi ineens op de gang naast Rita Verdonk. Een gang die, vanwege het aanstaande EK, door het secretariaat volgehangen is met oranje vlaggetjes.
Je zou denken dat dat een band schept. Maar Rita schijnt helemaal bepaald not amused te zijn met die oranje vlaggetjes en heeft al gevraagd wanneer ze weggaan. En dat vond ik vreemd. Kennelijk is Rita Verdonk helemaal niet zo trots op Nederland.
Het afscheidsfeestje van de vijf vertrekkende medewerkers van de Kamerfractie, in jargon liefkozend Kamerbewoners genoemd, begon om vier uur ‘s middags. Het eindigde, voor zover het het officiële gebeuren in de Winkel van Sinkel in Utrecht betrof, pas tegen elven met een persoonlijk loopbaanadvies van Femke.
„Je mist focus”, zei ze bloedserieus, onderwijl een slok nemend van wat naar ik mag aannemen niet haar eerste witte wijntje was. Dronken was ze allerminst, dan had immers de Nieuwspoortcode gegolden. „Je kan goed schrijven, declameert zo maar uit je hoofd een prachtig gedicht, spreekt zonder papier met het grootste gemak een groep mensen toe en leidt op een achternamiddag ook nog de fractie in Breda. Maar je versnippert je talenten.”
Zelden komt een compliment zo hard aan. Of is het andersom, zelden is een naar je hoofd geworpen baksteen zo elegant verpakt. Met een strikje erom zelfs. „Hij heeft toch een weblog?”, probeerde collega Peter mij nog te verdedigen. „Dat zijn niemendalletjes,” vervolgde Femke, „ik heb het over schrijven. Jouw probleem is dat je te graag mensen om je heen hebt. Maar je zou het lef moeten hebben om de eenzaamheid te verkiezen, dan kun je focussen.”
„Hoe jong ben je, dertig?” „Hoho, bijna dertig”, antwoordde ik. „Och, antwoordde ze, dertig is niets. Veertig, da’s pas erg.” „Wat weet jij daar nu van?”, zei ik. „Jaja”, antwoordde Femke streng, „heel charmant”.
Vandaag was de Tweede Kamerfractie officiëel afscheid van mij. Van mij en vier andere, inmiddels oud-collegae. Dat betekende vijf keer twee speeches. Vijf van de afscheidnemenden, vijf van de afscheiders.
De beleidsmedewerkers kregen een speech van het Kamerlid waarvoor ze werkten. Ik had, samen met collega Olof van de Gaag, de eer toegesproken te worden door La Halsema herself. Hieronder haar tekst, met vooraf één kleine correctie mijnerzijds: de film met Tofik die door Femke wordt aangehaald, werd niet door mij, maar door collega Jeroen Steeman gemaakt.
Lieve Selçuk,
Ik zei: bij Selçuk ben je zo klaar: je combineert whisky, zingen in een jurk, haarverf en werkdrift, en je hebt een verhaal.
Het is ook allemaal waar. Het is een enkele keer voorgekomen, op een maandagochtend, dat je vergeten was tussen de kroeg en je werk naar bed te gaan, waardoor je de gang vulde met een indringende whiskeylucht en vrolijk gelal: Zoals ik ook tot de dag van vandaag blij ben dat de pers vertrokken was van ons congres toen jij als pauzenummer samen met Herman Meijer in jurk een lied kwam zingen. Laat ik er alleen nog over zeggen dat ik denk dat je de idolsfinale waarschijnlijk niet gehaald zou hebben. Je verft je haar vaker dan ik, terwijl ik het vaker nodig heb. Daar staat tegenover dat het bij jou ook vaker mislukt. Je was kortom het afgelopen jaar vaak de Homo Hilaricus van de fractie (dit zijn van die momenten dat ik zo blij ben met mijn gymnasiumopleiding). Maar alleen dit te beschrijven: dan doe ik je tekort.
Homo Loyalitus. Ik weet niet meer precies hoe en waarom je bij onze fractie terecht kwam. Volgens mij was het ook eigen initiatief. En vanaf dag 1 ging dat gepaard met enorme werkkracht, nog groter enthousiasme en onvoorstelbare loyaliteit. Jij bent van het type medewerker dat dag en nacht gebeld mag worden (komt goed uit dat je dan meestal nog in de kroeg zit), die dag en nacht lijkt na te denken hoe Groenlinks en de fractie sterker te maken en dat combineert met een drukke baan in de lokale politiek. Jij bent ook degene die zich niet 1 keer maar wel 3 keer excuseert omdat hij niet bij ‘Femke’s oppositietafel kan zijn’, omdat je dan een raadsvergadering hebt. Wat mij toch een meer dan afdoende verklaring lijkt. En jij bent degene die even op en neer stiefelt naar Albert Heijn om daar vier flessen vers sap te halen als ik een zeurderige griep onder de leden heb. Jij bent ook degene die Tofik en mij onsterfelijk heeft gemaakt in starwars-gevecht. Zoals je op een heleboel momenten met creatieve plannen ons net de goede duw en een goed humeur wist te bezorgen. Ik vond jouw aanwezigheid het afgelopen jaar een heel fijne verrassing. Vrolijk, een tikkie gek en ongelooflijk loyaal. En dat maakt je ook tot een Homo heel erg Sympaticus. En ik wil je daarvoor bedanken
Voor mij ben je vooral een ‘Homo Lyricus’. Ik ben weinig mensen die zo intensief, betrokken en hartstochtelijk leven als jij. Ik ken je leven buiten de fractie niet maar ik heb liet grijze vermoeden dat je dat met evenveel adrenaline, even uitputtend leeft. Ik weet zeker dat we nog heel veel van je gaan horen maar ik heb geen flauw benul op welke manier: als politicus, als trapeze-artiest, als verlopen kroegzanger, als strateeg. Ik hoop dat je ons en mij daarvan op de hoogte houdt en dat je ons mee laat genieten. Ik hoop ook dat je nog eens zo bij onze fractie verdwaalt zoals het afgelopen jaar: voor een klusje, een baan of – als het aan Arnoud Boer ligt – als onze nieuwe partij leider. Het ga je goed!
Dit is ‘m dan, dacht ik toen ik ‘s ochtends door de gangen van de Tweede Kamer liep. Mijn laatste officiële werkdag hier. En nog ontzettend veel te doen.
Ik begon eerst maar eens met het opruimen van mijn bureau. Drie stapeltjes: ‘had al lang weggegooid moeten worden’, ‘kan alsnog weggegooid worden’ en ‘moet in het overdrachtsdossier’. Het is alleen een beetje onduidelijk aan wie ik moet gaan overdragen: ik heb immers geen opvolger.
Nu had ik deze dag ook een raadsvergadering, die vanwege de grote hoeveelheid aan agendapunten al om vier uur ‘s middags begon. Ik liet het eerste deel daarvan echter aan me voorbijgaan. Ik wilde wel een beetje fatsoenlijk afscheid nemen. Collega Peter had een fles cognac meegenomen die eerst even soldaat gemaakt moest worden.
Als campagnemedewerker leek het mij toepasselijk om af te sluiten met en lied dat GroenLinks gebruikte tijdens de campagne van 1994: ‘de Ballade van de Salade’. ‘Geen wonder dat we in 1994 een zetel verloren’, mompelde ik tijdens het horen van het nogal suffe liedje. Maar het behoort nu eenmaal tot de canon van onze partij.
Dag Tweede Kamerfractie, U was een fijne werkgever.
De Eerste en Tweede Kamerfracties van GroenLinks waren, compleet met medewerkers, neergestreken in Hotel Zonne in Noordwijk. Het jaarlijkse fractieweekeinde voor evaluatie, bespiegeling en strategiebepaling ving aan.
Jammer dat de buschauffeur van Connexxion, ik herhaal Connexxion, niet zat op te letten en doorreed, toen ik in Leiden op de bus naar Noordwijk wilde stappen. De lage frequentie van de dienstregeling noopte mij een taxi te nemen. Eenmaal aangekomen in hotel Zonne stond Tof Thissen al klaar om iedereen van een kop koffie te voorzien.
Na een dagprogramma propvol met vergadersessies, schoven we aan aan de bar. Naast mij Jan Laurier, het met voorkeurstemmen gekozen Eerste Kamerlid van GroenLinks. Onvermijdelijk kwam aan de orde hoe hij aan zijn zetel was gekomen.
Nog altijd vind ik dat de fractie en afdeling van Zuid-Holland niet zuiver hebben gehandeld door geen ledenvergadering uit te schrijven. Daarmee heb ik echter nog geen oordeel over de politicus Jan Laurier. Dat oordeel komt vanzelf nu hij zich de komende jaren als senator kan gaan bewijzen en ik wenste hem daar succes bij. Samen staken we een peuk op en bestelden nog een drankje. En eindigden we nog wat later met Jane, Zulmira en Tofik in de meest vreselijke discotheek die ik ooit van binnen heb gezien.
In de Tweede Kamer hing de gebruikelijke deken van stilte. Af en toe ritselde iemand de bladzijde van zijn krant om. In de verte klonk de echo van Hilversum 3. De eindeloze achternamiddag van de ziel.
Ineens herrie. Mijn voeten schoten van het bureau en ik ging recht zitten op mijn stoel. Het duurde even voordat ik het geluid kon thuisbrengen. Het bleek het gerinkel van de telefoon op mijn bureau.
Wat? Geen treinen? Betuweroute? Je bedoelt toch die veel te dure en nutteloze goederenspoorlijn die 16 juni door de koningin officiëel in gebruik genomen is? Die spoorlijn waar elk uur een trein overheen moet rijden om containers en giftige stoffen van de Rotterdamse Haven naar het Ruhrgebied te brengen? Die spoorlijn die bij de grens ophoudt en waar dan alles overgeladen moet worden op andere vervoersmiddelen? Die spoorlijn dus ja. Daar rijdt al weken lang geen enkele goederentrein overheen.
Als voorlichter van dienst liep ik naar de beleidsmedewerker van dienst en belde ik met het Kamerlid van dienst. Onthutsend, vonden we het, of wellicht zelfs schandalig. Het naadje van de kous wilden we weten, of wellicht nog wel meer. Typemachines en fax-apparaten werden in gereedheid gebracht. Niet veel later waren de Kamervragen gesteld en lagen de persberichten op de redacties.