
Naar aanleiding van de Canal Pride schreef ik voor GroenLinks onderstaande column, die ik op verzoek van Mathieu Hemelaar ook hier publiceer.
Mijn naam roept doorgaans één van de twee volgende vragen op. De eerste is of ik Pools ben. De tweede en meest gestelde vraag is of ik het even kan spellen. Opgroeien als halve Turk is niet altijd een pretje. Om naast mijn naam niet nog een stok aan te reiken om de hond mee te slaan, probeerde ik voorbeeldig te integreren. Ik nam drop mee op vakantie, probeerde te excelleren in het vak Nederlands en ben tot op de dag van vandaag lid van het Comité van Liefhebbers van de Zuivere Tweede Stem van Pierre Kartner.
Ik ben dan ook nooit een zeer uitbundige homo geweest. Mijn integratieproces verliep geheel volgens de lijnen van het hoofd dat niet te ver boven het maaiveld uitgestoken diende te worden en het Calvinistische ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’. De kliek uitgesproken flikkers die zich uitgesproken nichterig in het straatbeeld manifesteren, daar wilde ik niet bijhoren. In homo-kroegen kwam ik in die dagen nooit. Ik was nog niet bevrijd van mijn bij vlagen communitaire ideeën en ik had dan ook weinig op met de zelfverkozen apartheid van mijn soortgenoten.
Kortom, ik was het toonbeeld van sociaal wenselijk (lees: heteroseksueel) gedrag. ‘Goh, je zou helemaal niet zeggen dat je homo was’, kreeg ik dan ook veelvuldig te horen. Of ‘je bent ten minste niet zo overdreven’. En misplaatst vatte ik het op als compliment. Achteraf bezien heb ik de belangrijkste jaren van mijn leven zo verkwanseld. De pubertijd, de tijd waarin homo’s leren met hun kont te wiegen, met hun handjes te wapperen en uitermate vrouwelijk te springen, bracht ik door in hard-rockcafés, waar de dode puntjes van mijn lange haar dan wel in een pul bier, dan wel in de pindaschaal hingen.
Na mijn pubertijd ging het snel bergopwaarts met mijn bevrijdingsproces. Mijn lange haar verdween voorgoed in de prullenbak en mijn garderobe verschoot van kleur. Homo ben ik, er zal gedanst en gesprongen worden. Ik ben anders en ik ben er trots op. Ik ben een geëmancipeerd individu.
Juist daarom moest ik even slikken op de boot van RozeLinks, afgelopen zaterdag tijdens de Canal Pride in Amsterdam. Waar anderen prachtige, thematische showboten hadden met mensen in op elkaar afgestemd kostuum of broekje, was de boot van RozeLinks een ratjetoe van verschillende outfits. We probeerden het nog goed te praten door te stellen dat we zo onze onderlinge diversiteit probeerden te benadrukken, maar bovenal stemde het een beetje droevig. Wij zijn toch van de uitbundigheid, van de smaak? Van het soort wat niets uit de weg gaat om de beste, de mooiste, de meest indrukwekkende show neer te zetten? Wij zijn toch de voortrekkers van alles dat rijmt op operette en musical? Waar was dan de franje, de pracht en praal, de rijkdom van onze subcultuur?
Nu het geweld tegen homo’s weer toeneemt en de maatschappelijke acceptatie voor alles dat afwijkt begint af te nemen, wordt het tijd voor een offensief. Er is maar één manier om te vechten tegen alles dat intolerant, onmenselijk en lelijk is, en dat is door er uitbundigheid, vrolijkheid en schoonheid tegenover te zetten. Het wordt tijd voor een offensief dat de potenrammers verdrinkt in schoonheid. We zullen spetteren, we zullen glanzen. En iedereen zal zeggen, wat zijn ze mooi, zij van RozeLinks.
Het is het enige dat ik me kan bedenken. Want met knokploegen van flikkers de straat op te gaan om als burgerwacht de straten schoon te vegen, dat zie ik ons nog even niet doen. Tenzij we onze lessen in kontwiegen en handjewapperen gaan inruilen voor een cursus kickboksen. En dat zie ik persoonlijk niet zo zitten. Dat macho-gedrag behoort inmiddels tot mijn verleden, diep begraven in de spelonken van mijn geheugen. En daar wilde ik het eigenlijk ook maar laten zitten.