Soms zit het leven even niet mee. Bijvoorbeeld als je je algemene beschouwingen aan het voorbereiden bent en je vergeet ‘m vervolgens op te slaan. Het zijn kleine ongemakken, maar desondanks ongemakken.
En dus liep ik de Raadszaal in met slechts een half a4-tje, een notitieblok en een vulpen. Ik was gelukkig pas de vijfde spreker. Dus een dik uur en een lamme hand later kon ik alsnog een volwaardige bijdrage leveren. Ware het niet dat ik soms wat moeite had met het lezen van mijn eigen handschrift.
Maar dat is dan ook geen 14-punts Verdana met regelafstand van anderhalf.
Het was raadsvergadering. Met een nieuwe inrichting van de raadszaal, een geluidssysteem dat maar niet wilde werken en ook nog eens een drukke agenda. Er stonden immers bezuinigingsmaatregelen op de agenda.
Bezuinigingen leveren altijd discussies op. Het is immers niet goed, of het deugt niet. De één vindt dat er te weinig weggestreept wordt, de ander vindt dat het juist te veel is, of op zijn minst op de verkeerde zaken. En weer een derde vindt het too little, too late en ook nog eens ongeloofwaardig. Zoveel partijen, zoveel smaken.
Wat me opviel was dat juist de collega-coalitiepartijen allemaal beweerden dat de bezuinigingen voor de burger niet merkbaar zouden zijn. Onzin, vond ik, bezuinigingen doen pijn en laten we daar nu ook eerlijk in zijn. Bezuinigingen waarvan niemand iets merkt bestaan niet, tenzij je al jaren geld over de balk smijt. En dat idee heb ik in ieder geval niet.
Er was op het einde nog ruimte voor het Vragenuur. Ik kwam nog even terug op vragen die ik al eerder gesteld had over het Autisme Informatie Centrum. Ik was aanvankelijk niet zo tevreden met de schriftelijke beantwoording. Het nieuwe antwoord van de wethouder beviel me al een stuk beter.
Na vier dagen slaaptekort, sjouwen, opbouwen en diensten draaien is de maandag van Breda Barst altijd iets wat ik slechts adequaat kan omschrijven als de ultieme festivalhel.
Maandag is opruimdag. Want het park moet opgeruimd worden en we willen de boel ook echt netjes achterlaten. En onwillekeurig neemt gedurende de dag de irritatie tussen de nog overgebleven vrijwilligers exponentieel toe. Het is sjouwen, gedachten op nul, blik op oneindig.
Als dat dan allemaal achter de rug is, volgt een avondje bier drinken in Dok 19. Een traditie die inmiddels nog de enige reden is waarom de vrijwilligers van de maandag het überhaupt nog volhouden.
Met als enige conclusie dat, wanneer dinsdagochtend na een vijfde, veel te korte nacht, iedereen gebroken in zijn of haar bed blijft liggen en zich met een flinke kater afvraagt waarom ‘ie in vredesnaam na al die jaren nog steeds vrijwilliger is bij Breda Barst.
En ook waarom ‘ie vooraf niet de tegenwoordigheid van geest had om ook op dinsdag vrij te nemen.
Zaterdag een rustige dag? Geenszins. De agenda stond vol, zowel met zakelijke als sociale verplichtingen.
Ik mocht zaterdagochtend al vroeg mijn bed uit om naar een Campagnebijeenkomst voor provinciale afdelingen van GroenLinks te gaan. En aangezien ik toch al in Utrecht was, ben ik vervolgens even naar Café België gegaan om bij te praten met vriend Gijs. Sinds enkele weken gaat het niet zo goed met de gezondheid van een gemeenschappelijke vriend van ons. Onwillekeurig heb je dan de behoefte om elkaar op te zoeken.
Die avond was ook de opening van het nieuwe politieke jaar in Breda. Geen zeer officiële bijeenkomst, maar meer een receptie waarbij de raadsleden informeel samenzijn, dit jaar gehouden bij Breda Hippique. Altijd goed voor de onderlinge contacten.
Het was al over twaalven toen ik met de trein naar Tilburg afreisde, naar de verjaardag van Ellis. En aangezien het daar gezellig genoeg was om de laatste trein te missen ben ik ergens tegen een uur of vijf maar op de houten vloer gaan liggen om te slapen. Rough style. Gelukkig had ik al wat drank op.
Sinds enkele jaren is het traditie om aan het eind van het seizoen iets leuks te doen met de gehele raad. Het probleem van ‘iets leuks’ is echter dat de ideeën over de invulling daarvan van persoon tot persoon nogal drastisch kunnen verschillen.
Het raadsuitje leek dan ook verdacht veel op de familiedagen die ik jaarlijks met moeders kant van de familie heb. Terwijl de familie trouw het samengestelde programma afwerkt waar maandenlang druk aan gewerkt is, zit iedereen stiekem te wachten op het moment dat we aan de drank kunnen. Met het raadsuitje was het weinig anders. Voor het bier geserveerd kon worden, moest er eerst gefrisbeed en met pijl en boog geschoten worden.
De herinnering van de gymlessen kwamen boven. Geen geweldige werper en al helemaal geen goede vanger. Evolutionair gezien is het ook veel logischer om snel weg te duiken wanneer er objecten met grote snelheid naar je toevliegen dan ze te vangen. Uiteraard faalde ik miserabel in zowel het frisbeeën als het schieten met pijl en boog. Een achterstand die ik gelukkig bij het drinken snel had ingehaald.
Ik heb weleens gezegd dat een compromis de ergste vorm van besluitvorming is. Ten minste, als het een compromis betreft tussen twee totaal verschillende visies. Het uiteindelijke besluit kan immers niets anders zijn dan visieloos.
Er zijn drie manieren om tot een besluitvorming te komen. De consensus, het compromis en de concessie. Naar een consensus kan gezocht worden wanneer de verschillende partijen het redelijk eens zijn met elkaar. De concessie staat daar recht tegenover. De twee partijen verschillen diametraal met elkaar van mening, maar de één legt zich neer bij de mening van de ander in de hoop of verwachting dat de ander dit ook zal doen bij een volgend dossier waarover de twee van mening verschillen. Als laatste optie is er het compromis. Aan het besluit wordt net zo lang gesleuteld totdat beide kampen ermee kunnen leven.
In de praktijk blijkt echter dat het voorstel zo veranderd wordt dat geen enkele van de twee partijen zich er nog in kan herkennen. De enige reden dat een compromis-voorstel het haalt is omdat er een politiek proces aan voorafgegaan is waaraan de verschillende spelers zich gecommitteerd hebben. Het compromis is in veel gevallen dan ook het lelijkste wat de politiek kan voortbrengen.
De uiteindelijke uitkomst in het debat rond de horecatijden was zo’n compromis. Een lelijk misbaarsel. Een wanbesluit. Een gedrocht dat nooit het licht had mogen zien. Het heeft geleid tot een beleid waar zowel de voorstanders als de tegenstanders van verruimde openingstijden zich niet in kunnen herkennen. En achteraf snap ik niet meer om welke reden ik zo hard voor dat dossier gelopen heb. Behalve, behalve dan omdat het een proces was waar ik me aan gecommitteerd had.
Ik trek mijn handen ervan af. Ik wil geacht worden hier niets mee te maken gehad te hebben.
Er was niet op de inhoudelijke onderdelen van het Hamburg-programma bezuinigd, zo veel was duidelijk. En net zoals de verplichte literatuurlijst de liefde voor lezen de nek omdraait, zo hebben architectuurreizen een bedwelmend effect op het enthousiasme voor stedebouw. Zo tegen het einde van de middag kon de meeste gemeenteraadsleden geen gevel of trapje meer zien.
Om de vrijdagavond nog enigszins ontspannen af te sluiten, besloot onze gids Helge ons mee te nemen naar een Schlagerfestival. Het festivalterrein lag pal naast een luchtverdedigingstoren uit de Tweede Wereldoorlog. Werkelijk prachtig om te zien voor de één, een beangstigende aanblik voor de ander. Mooi en verschrikkelijk tegelijk. Iets dat ook gold voor de Schlagers.
Dat we op het eind van die avond nog in een buurtkroeg pal naast het hotel zijn beland, was mede op initiatief van reisleider en griffiemedewerker Jos de Hoogh, die gedurende de dagen zo goed en zo kwaad als het ging op zijn kudde probeerde te letten. Ook hij kon echter niet voorkomen dat er die avond nog een taxi reed van de buurtkroeg naar St. Pauli. Waar ook stadsontwikkelaar Hans Thoolen in meereed.
„Ik vond het al zo vreemd dat ze voor driehonderd meter een taxi namen”, probeerde hij zich de ochtend erop nog te verdedigen. Ondanks de bewolking besloot hij zijn zonnebril die dag maar op te laten.
Het doel van het driedaagse werkbezoek van de Bredase gemeenteraad aan Hamburg moest vooral inspireren. Breda staat voor een immense herontwikkelingsopgave van zo’n slordige 160 hectare rond het station, de Belcrum en de Markoevers. Hamburg heeft een soortgelijke uitdaging: HafenCity. Ook rond het water en zo’n 155 hectare.
Hamburg, een stad van 1,74 miljoen inwoners, is na Berlijn de grootste stad van Duitsland. Geen vergelijking dus voor Breda, dat met 172.000 inwoners ruim tien keer zo klein is. Dat geeft meteen een beeld van de opgave in Breda. HafenCity behoort tot de grootste herontwikkelingsgebieden van Europa. Breda doet er nog een schepje bovenop. Aan ambitie dus geen gebrek.
Voor een aantal van de deelgebieden zijn de plannen al klaar en wordt er al druk gebouwd. Bij mij in de straat bijvoorbeeld, wordt het oude brouwerijgebouw getransformeerd tot een nieuwe woonbuurt. Nu kan ik vanuit mijn slaapkamer nog net het spoor zien en hoor ik ‘s nachts de goederentreinen voorbij denderen. Binnenkort zal het waarschijnlijk gedaan zijn met dat troostende geluid. Voor een aantal andere deelgebieden staat de hele ontwikkeling nog aan het begin. Dat geldt onder andere voor het terrein van de voormalige suikerfabriek CSM, waar nu voortvarend gesloopt wordt.
Juist de gebieden rond de Mark vragen om extra zorgvuldigheid. De oude industrie aan de westoever van de Mark moet zorgvuldig ingepast worden in het stedebouwkundig plan. Aan de oostzijde zal een compleet nieuwe wijk verreizen. Ook dat vereist verantwoorde keuzes. Wie nu verkeerde keuzes maakt, zit over twintig jaar opgescheept met een wijk waar niemand wil wonen of werken.
Het werkbezoek aan Hamburg heeft me gesterkt in de overtuiging dat de historie van een gebied altijd leidend moet zijn bij het opstellen van stedebouwkundige plannen en uitgangspunten. Aan de westoever is dat het oud-industriële karakter van de wijk, met de loodsen van Backer en Rueb en Van Puijfelik als meest aansprekende voorbeelden. Aan de oostkant moet de nieuwe wijk een link leggen met de rivier en de suikerindustrie die er ruim een eeuw heeft gehuisd.
Een eerste stap in die richting is inmiddels gezet. Enige tijd geleden was ik in de raad nog de enige die er voor pleitte om in het stedebouwkundig ontwerp van de oostoever te refereren aan de suikerindustrie. Dat kan door vorm en volume van de silo’s op die plek als uitgangspunt voor de nieuwe bebouwing te gebruiken en een aantal andere elementen, waaronder de karakteristieke gele letters van de CSM, te integreren in het ontwerp. Het feit dat wethouder Aarts me vertelde dat de gemeente Breda de letters inmiddels in haar bezit had, biedt goede hoop voor de toekomst.
Toen we door het havengebied van Hamburg liepen, dringend op zoek naar een kop koffie, ging plots de telefoon van journalist Nico Schapendonk. Het schouwspel dat zich in de daaropvolgende minuten ontvouwde, mag niets minder dan een koningsdrama worden genoemd.
Janus Oomen is al sinds de gemeentelijke herindeling van 1997 wethouder van het CDA. Daarvoor hield hij die zelfde positie al in het satellietdorp Prinsenbeek. Hij is opgeklommen van wethouder Milieu- en Parkeerbeheer naar de wethouder stadsbeheer, om vervolgens ook vier jaar lang financiën voor zijn rekening te nemen. Het was het tijdperk Janus Oomen, lijsttrekker van het CDA, de nummer één van Breda.
De verkiezingen van 2006 brachten verandering in de status quo. De PvdA werd de grootste, Janus moest financiën inleveren en kreeg er als troost Ruimtelijke Ordening voor terug. Maar dat kon nooit lang duren. De voormalige leraar wiskunde rekende al op 2010, het jaar waarin het CDA zijn rechtmatige positie als grootste partij zou herin nemen. Uiteraard met Janus aan het roer.
Totdat de telefoon van de ook naar Hamburg afgereisde journalist Nico Schapendonk ging. Het was André Lips, de huidige fractievoorzitter van het CDA, die belde vanuit Breda. Met nieuws voor de bijna voltallig aanwezige wethouders en raadsleden en vooral voor Janus zelf…