„Beep”, zei de computer. En vervolgens nog een keer. Om daarna te melden dat er essentiële bestanden ontbraken om fatsoenlijk op te kunnen starten.
Jaap was langsgekomen om een planning te maken voor het decor van Breda Barst. Omdat hij wel zijn laptop, maar geen muis bij zich had, kreeg hij de USB-muis van mijn vaste computer aangereikt. Ik haalde een oude Genius-muis uit de kast en stak deze in de seriële poort van mijn pc.
Dat had ik beter niet kunnen doen. Na vier jaar lang redelijk stabiel XP gedraaid te hebben, gaf deze installatie er definitief de brui aan. Elke herstelpoging ten spijt, opstarten wilde de machine niet meer.
Het was donderdagavond en het was ontzettend warm. Het koude bier ging er onder toeziend oog van Maria goed in. Wie op het terras van de Boulevard zit, is verzekerd van een minzame blik van de Heilige Maagd.
Toen het begin van het weekeinde lang en breed was ingeluid en ingedronken, leek het zo om twee uur ‘s nachts ineens een ontzettend goed idee om met een paar vrienden naar de vijver bij het oude Seminarie te fietsen voor een nachtelijke duik.
Oké, stilstaand water, dus waarschijnlijk vol met allerlei bacteriën waar een normaal mens hartstikke ziek van zou worden. Maar wij hadden gedronken en we hadden de zegen van boven. Dus wie doet ons wat?
De verjaardag van mijn moeder kent enkele tradities die de moeite waard zijn om in ere te houden.
Allereerst staat de achterdeur open. Visite is van harte welkom om via de poort van de achtertuin binnen te komen.
Ten tweede is het altijd lekker weer. De visite hoeft het huis dus ook helemaal niet in. Iedereen blijft in de achtertuin. Wat achteraf een hoop gestofzuig bespaart.
Ten derde maakt mijn moeder altijd Sangria. Die de visite vervolgens keurig opdrinkt.
Ten vierde maken mijn moeder en ik het altijd laat. En dus ging ik ook dit jaar pas rond een uur of half vijf naar huis toe. Met een buik vol Sangria.
In de zomermaanden vindt in het Valkenberg elke week het Valkenbergconcert plaats, inmiddels omgedoopt tot het even belachelijk als infantiel klinkende ‘Parkies.
Elke dinsdag loopt, als het weer enigszins meewerkt, toute breda uit om op een kleedje in het park te gaan zitten, te flaneren over het wandelpad of op een andere manier te zien en gezien te worden. Het Valkenbergconcert is een reünie van vrienden, oude bekenden en verloren gewaande familie.
De organisator weet dat ook. Het muzikale programma is dan ook al jaren weinig uitdagend te noemen. Maar het maakt niet uit, al zet je er een chimpansee met een bandoneon op het podium. De mensen komen toch wel.
Terwijl in Amsterdam de Canal Pride in volle gang was en de jaarlijks terugkerende non-discussie over of dit nu wel of niet bijdraagt aan de emancipatie van homo’s, maakte ik me op voor een heel ander evenement. Vandaag was de dag dat ik Inge en Carin in de echt ging verbinden.
Ruim twee jaar geleden vierde het koor waar ik in zong zijn dertig jarig bestaan met een weekeindje in de Ardennen. Carin en Inge hadden elkaar zo’n tien jaar eerder op het koor leren kennen. Ik mocht met hun meerijden en vroeg op een onbewaakt ogenblik of ze er ooit aan gedacht hadden om te trouwen.
Het verhaal was dat Carin Inge ooit ten huwelijk had gevraagd. Inge bedankte daarvoor. Ze vond de kinderen toen nog wat jong om ze op die manier met hun bijzondere relatie te confronteren. Twee lesbo’s in Dorst, dat was al bijzonder genoeg, daar hoefde niet ook nog eens een huwelijk bij. Carin nam een jaar of wat later wraak, toen Inge haar nog eens ten huwelijk vroeg. “Zijn de kinderen ineens zoveel ouder dan”, zal, Carin kennende, ongeveer haar antwoord geweest zijn. En sinds die tijd durfde geen van tweeën het nog aande ander te vragen. Daar was, overduidelijk, een derde partij voor nodig.
Nadat we geïnstalleerd waren, bij het plaatselijke frietkot voor zo’n dertig man friet hadden gehaald en kennis hadden gemaakt met onze buren, een christelijke jongerenvereniging ergens uit de contreien van Aalsmeer, zaten we in het voortuintje van de vakantieboerderij bier, wijn en rosé naar binnen te werken. Het ging, zoals wel vaker bij het koor, over relaties, over scheidingen, kinderen en over het huwelijk. En op de één of andere manier kwam toen ook ter sprake dat ik, als raadslid in Breda, ook gemachtigd ben om een huwelijk af te sluiten. Toen realiseerde ik ineens – wellicht gesterkt door enige drank – dat dit wellicht de enige mogelijkheid was. Toen Inge en Carin naast elkaar zaten, knielde ik voor hen neer, pakte hun beider hand en vroeg hen „mag ik jullie trouwen.” En beiden antwoordden ‘ja’. Dat moment is verzegeld met twee schijfjes citroen die – niemand was immers op deze situatie voorbereid – toen maar moesten dienen als verlovingsring. Ringen die tot aan de dag van vandaag zijn bewaard.
Uiteindelijk heeft het toch nog twee jaar geduurd voordat dat huwelijk er daadwerkelijk kwam. Maar ik heb me niet voor niets laten beëdigden. Aan het einde van de middag werden, onder toezicht van gezin, familie en goede vrienden, Carin en Inge verklaard tot vrouw en vrouw.
Sinds vorig zendt 3FM tijdens de Gay Pride in Amsterdam de Homo 100 uit. En natuurlijk is het hartstikke leuk om de hele dagen plaatjes van Mika, Alphabeat en de Scissor Sisters te horen. Maar waarom moet Gerard Joling nu weer in de studio uitgenodigd worden?
„Homoseksualiteit is geen ziekte”. Dat schrijft de Verenigde Pinkstergemeente in een verklaring.”Laat staan dat het te genezen is.”
Wat me niet helemaal duidelijk is, is of ik nu blij moet zijn met dit vernieuwende inzicht van deze protestantse splinter of dat het om te huilen is. Want hoewel homoseksualiteit vanaf nu geen ziekte meer is, zijn er nog tal van andere ziektes en aandoeningen die ze wel met handoplegging en gebed menen te kunnen verhelpen.
De verklaring van de Pinkstergemeente was uitgegeven nadat er berichten naar buiten kwamen over vermeende homo-healings in het leger. Maar toch wringt de formulering. Want bedoelen ze nu dat er niets te genezen valt in de zin van ‘het helpt toch niet’ of meer in de trant van ‘homo’s hoeven ook niet genezen te worden’? Welke consequentie zou de verklaring van de Pinkstergemeente nu hebben voor de acceptatie van homo’s? Want als homoseksualiteit geen ziekte is en niet kan worden genezen, wordt het dan niet eens tijd om het maar gewoon ‘ns te accepteren? Jezus houdt immers ook van mannen.
Maar wat weet ik nu van het christendom? Het is maar goed dat ze me bij de Pinksterbeweging geen plaatsje in hun hiernamaals gunnen. Ik zou het er waarschijnlijk toch niet naar mijn zin hebben.
Natuurlijk heb ik geen hekel aan Limburgers. Het zou raar zijn om iemand op afkomst of woonplaats te beoordelen.
Het valt me wel op dat ze altijd zo hard praten in dat zijige taaltje van ze. En dat valt me de laatste dagen nog extra op, want dankzij de zomerregeling van de NS mag het vergrijzende smaldeel van Limboland nu ook voor negenen al in de trein stappen. En met het warme weer maken ze gretig gebruik van die mogelijkheid, waarbij ze en passant ook nog eens het hele gezin meenemen voor een dagje aan het strand.
Het heeft wel iets, zo’n eigen wereld met een eigen fantasietaal. Heerlijk lijkt me dat, als je met al je vrienden zo vloeiend geheimtaal kan praten. Ik heb dus helemaal geen hekel aan Limburgers. Sterker nog, ik vindt ze zo leuk en aardig dat ik ze een heel eigen treinstel gun.
Dus kan dat luidruchtige gezin uit Sittard, Geleen of waar de fuck ze dan ook vandaan komen asjeblieft nu ook SUBIET OPDONDEREN uit mijn stilte-coupé.
„Waarmee kan ik U van dienst zijn”, schreeuwde de man van de hoorwinkel in mijn oor. Ondertussen probeerde hij met een onderzoekende blik te ontdekken of mijn gehoorbeschadiging veroorzaakt was door pompende beats in een disco.
„Ik kom om me een set nieuwe gehoorbeschermers te laten aanmeten”, antwoordde ik met zachte stem. De man van de hoorwinkel was zichtbaar teleurgesteld. Een jongere zonder gehoorproblemen, daar is geen lol aan te beleven.
Gelukkig had de man daar wat op gevonden. Met een rubberachtig goedje spoot hij mijn oren vol om de perfecte afdruk van mijn gehoorgang te maken. Vijf minuten hoorde ik vrijwel niets. De man vermaakte zich ondertussen kostelijk. Hij vertelde ellenlange verhalen die ik amper kon horen. Beleefd knikte ik af en toe. Ieder beroep zijn eigen deformatie.
De middenstand van de Veemarktstraat vonden het nodig om hun winkelstraat ‘ns extra onder de aandacht te brengen. En creatief als middenstanders zijn, hingen ze maar een banier op.
Tot zover niets aan de hand. Een banier heeft echter ook een leus nodig. En dus kwam het ingehuurde reclamebureau, of misschien wel gewoon de voorzitter van de betreffende winkeliersvereniging, met de volgende slogan op de proppen: ‘de Winkelste Straat van Breda’.
Wat bedoelen ze daar in vredesnaam mee? De straat met de meeste winkels? Met de meeste omzet? Of de straat met het meest gevariëerde aanbod? Neen, neen, driewerf neen. De Ginnekenstraat heeft meer winkels, de Haagdijk is gevarieerder en de Karrestraat draait meer omzet. Maar het was eigenlijk uitsluitend het anti-woord ‘winkelste’ dat bij mij ergernis opwekte.
Ik ben een lankmoedig mens, maar zo’n slappe slogan kan echt niet. Winkel is geen bijvoeglijk naamwoord. Net zoals winkelste slechts de overtreffende trap van taalvernieling is. Ik denk er dan ook sterk aan om de winkeliers van de Veemarktstraat voortaan te benoemen als kleine bijvoeglijken.
Natuurlijk snap ik dat iemand hier dacht leuk te zijn. Maar het is een mislukte poging. Waarmee in ieder geval één ding glashelder is geworden. De Veemarktstraat is zeker niet de sloganste straat van Breda.