Dutch local politician for the environmentalist party GroenLinks, tends to be serious at times but usually has a slightly absurd and overall happy and sunny mental disposition.
Omdat zijn medische conditie achteruit ging was het vieren van iets dat lijkt op een verjaardag er niet bepaald van gekomen. Om toch nog iets van een cadeau te geven, had één van zijn vriendinnen bedacht dat het wel leuk zou zijn om hem een weekeindje Sicilië aan te bieden. En dat we dan allemaal mee zouden gaan natuurlijk.
We hadden natuurlijk tal van minder leuke redenen kunnen bedenken voor de reis, maar dat deden we niet. Het was een verjaardagscadeau, en we zouden de boel eens flink op stelten zetten. In plaatselijke klederdracht. Punt uit.
En zo stapten we op de laatste vrijdagmiddag van november op het vliegtuig naar Trapani. Nadat ik eerst uiteraard door het veiligheidspersoneel van Eindhoven Airport was beroofd van mijn lenzenvloeistof en Parucci Funky Styler. Maar hoe het ook zij, een aantal uren later genoten we in een klein restaurantje aan het water van een breed assortiment van anti-pasta en wijn.
En zo kon het gebeuren dat de voorspelde regenbuien uitbleven en de bewolking wegtrok. En dat we wandelend door het Middeleeuwse Erice de akoestische versie van Ayo Technology zongen zonder dat we de tekst kenden. De ‘jarige’ sjokte dapper achter ons aan. Van eetmoment naar eetmoment. Buitenland moet je proeven.
Eind november, met je blote bast op het strand. Of ‘s ochtends op het te mooie dakterras van een te idyllische bed & breakfast. ‘s Nachts op een terras in Palermo waar Sof op een gegeven moment de pianist wegstuurt en zelf een lied begint te spelen. ‘Fine’, van Krezip. Wrang, maar dat kreeg ik pas veel later door. Dit weekeinde was even een andere realiteit.
Toen we maandagavond terugkeerden in Nederland was het koud en lag er ineens overal sneeuw. De winter was ingetreden. Een kille confrontatie met de werkelijkheid. Met weer een werkweek voor de boeg voor de meesten. En voor sommigen de zoveelste in een eindeloze reeks afspraken met een doctor.
Een vrijdagmiddag, een persconferentie. Jolande Sap links naast Femke Halsema. Geen tranen, wel applaus. Femke kondigde per onmiddellijke ingang haar vertrek aan als fractieleider van GroenLinks.
Ik ben haar schatplichtig. Dat zijn we allemaal. Zij heeft afgerekend met oud-linkse maakbaarheidsgedachten, met socialistische dogma’s, met oude vormen en oude gedachten die al lang geen antwoord meer waren op de complexe, actuele vraagstukken van de moderne, geïndividualiseerde maatschappij.
Ik kan me een vrijdagavond in november 2004 herinneren waarop we, een aantal GroenLinks-jongeren, deze nieuwe links-liberale kijk op de wereld bezegelden met een paar flessen wijn en de wens onze positie te markeren op het GroenLinks-forum dat de volgende dag zou plaatsvinden. En dus pakten we de melodie van de Internationale en herschreven de tekst, zoals zo velen dat eerder, in de jaren zeventig, tachtig en negentig gedaan hadden.
Hoe toepasselijk was de eerste regel ‘Ontluikt, vrijzinnigen der Aarde’, welk een sneer vormde het afsluitende ‘De Links-Liberale Zal morgen heersen op Aard’. Ik kan me herinneren dat een aantal oudere leden mopperend de zaal uitliep toen we het de volgende dag ook daadwerkelijk op het podium van de plenaire zaal ten gehore brachten. De strijd tussen de rechtschapen socialisten en de liberale groenen moest toen nog beginnen.
Femke verlaat de partij op een moment dat de eenheid is wedergekeerd. Socialisten en Liberalen hebben elkaar gevonden in een nieuwe status-quo die we voor het gemak maar even samenvatten onder de noemer ‘vrijzinnig’. Want dat zijn we, vrolijk en optimistisch, progressief en non-conformistisch. Vrij en zinnig. Dag Femke.
En toen was ze weg
Een vrijdagmiddag, een persconferentie. Jolande Sap links naast Femke Halsema. Geen tranen, wel applaus. Femke kondigde per omniddelijke ingang haar vertrek aan als fractieleider van GroenLinks.
Ik ben haar schatplichtig. Dat zijn we alle-maal. Zij heeft afgerekend met oud-linkse maakbaarheidsgedachten, met socialisti-sche dogma’s, met oude vormen en oude gedachten die al lang geen antwoord meer waren op de complexe, actuele vraagstuk-ken van de moderne, geïndividualiseerde maatschappij.
Ik kan me een vrijdagavond in november 2004 herrinneren waarop we, een aantal GroenLinks-jongeren, deze nieuwe links-liberale kijk op de wereld bezegelden met een paar flessen wijn en de wens onze positie te markeren op het GroenLinks-forum dat de volgende dag zou plaatsvin-den. En dus pakten we de melodie van de Internationale en herschreven de tekst, zo-als zo velen dat eerder, in de jaren zeven-tig, tachtig en negentig gedaan hadden.
Hoe toepasselijk was de eerste regel ‘Ont-luikt, vrijzinnigen der Aarde’, welk een sneer vormde het afsluitende ‘De Links-Liberale Zal morgen heersen op Aard’. Ik kan me herrinneren dat een aantal oudere leden mopperend de zaal uitliep toen we het de volgende dag ook daadwerkelijk op het podium van de plenaire zaal ten gehore brachten. De strijd tussen de rechtschapen socialisten en de liberale groenen moest toen nog beginnen.
Femke verlaat de partij op een moment dat de eenheid is wedergekeerd. Socialisten en Liberalen hebben elkaar gevonden in een nieuwe status-quo die we voor het gemak maar even samenvatten onder de noemer ‘vrijzinnig’. Want dat zijn we, vrolijk en optimistich, progressief en non-conformis-tich. Vrij en zinnig. Dag Femke.
Het was minstens anderhalf jaar geleden geweest dat we elkaar in dit gezelschap gezien hadden. Sinds de studietijd is de groep vrienden uitgewaaierd over het hele land. En sommigen zelfs daarbuiten. Voor de gelegenheid, in dit geval een verlate verjaardag, keerde iedereen even terug naar de Heimat.
Op het eerste gezicht leek er weinig veranderd. De bier-drinkers dronken nog steeds bier, de wijn-drinkers wijn. Alleen de huismerken waren ingeruild voor de betere a-merken. Wie beter luisterde, wist echter wel beter. Onschuldige gespreksonderwerpen als de nieuwe release van weer één of andere ontzettend independent rockbandje behoorden permanent tot het verleden.
De één deed geen oog meer dicht omdat hij vader was geworden. Een ander was zwanger van haar ex en weer een derde stond op het punt na een jarenlange relatie zijn vriendin te dumpen. Een vierde was net single geworden en weer een vijfde had er net een buitenrelationele affaire op na gehouden.
Het was eigenlijk nauwelijks verwonderlijk dat de drank niet toereikend was voor zoveel dertigersleed.
Veel tegenstanders van Wilders zullen de afgelopen dagen met enig genoegen de ontwikkelingen binnen de PVV gevolgd hebben. NRC-columnist Marc Chavannes schreef zelfs dat, nu Lucassen niet uit de PVV-fractie wordt gezet, Geert Wilders tot de gevestigde orde is gaan behoren en daarmee zijn aantrekkingskracht als politieke outsider is kwijtgeraakt. Een voorbarige reactie, in mijn ogen.
Eerst waren er de berichten over Lucassen, die in zijn buurt te boek stond als asociale buurtterrorist en ook nog eens veroordeeld bleek voor het plegen van ontucht. Daarna volgden de berichten over Jim Sharpe, die ook al niet in staat blijkt zijn agressie op een geciviliseerde wijze te kanaliseren en daarnaast leidinggevende was bij een internetbedrijf dat er tamelijk dubieuze en door de rechter zwaar beboete praktijken op nahield. De PVV als rovershol, waar iedere crimineel ongestraft onderdeel van de fractie mag blijven uitmaken. Geen fatsoenlijke kiezer wil zich met zo’n partij afficheren, zo luidt de heersende gedachte binnen de gevestigde politiek. Einde electorale aantrekkingskracht.
Die analyse is gemankeerd. Zij gaat namelijk uit van de mores binnen de gevestigde politiek die door Wilders en zijn kiezers zo wordt verafschuwd en gewantrouwd. Die afkeer tegen de politieke ‘elite’, haat zelfs, is zo groot dat deze voor veel PVV-stemmers de maatstaf is waarlangs ze de rest van de samenleving en met name de politiek beoordelen. Lucassen is niet ‘fouter’ dan pak ‘m beet, Wijnand Duyvendak. In tegendeel, hij is hooguit een ongelukkig geselecteerd Kamerlid van een verder onfeilbare partij die nog altijd de strijd tegen de elite vertegenwoordigt.
Dat volstrekt subjectieve wereldbeeld maakt elke vergelijking met andere politici of andere partijen onmogelijk. Stel je voor dat bij een andere, gevestigde partij een zelfde soort situatie ontstaat, zal de PVV-aanhanger deze nog altijd anders beoordelen. Sterker nog, als morgen van een linkse politicus dezelfde soort verhalen boven water komen, zal een rasechte PVV-er bij hoog en bij laag vinden dat deze moet aftreden, ook al wordt van Lucassen schoorvoetend geaccepteerd dat hij blijft zitten.
Het vaderlandse journaille zal de komende tijd nog wel door blijven graven naar de historie van veel Kamerleden van de PVV. En dat zal vast nog wel een paar smetjes op het blazoen van enkelen opleveren, al is het aannemelijk dat deze zaken minder schokkend zijn als de streken van Lucassen. Neem bijvoorbeeld de onwaarheden in het CV van PVV-Kamerlid Richard de Mos, waarin ten onrechte staat dat hij schoolhoofd is geweest. De PVV-er zal zijn schouder ophalen en hierin eerder een bevestiging zien van het feit dat ook de journalistiek behoort tot de ‘linkse elite’ die er alles aan gelegen is de PVV kapot te maken. Een kritisch commentaar in De Telegraaf zal niet het vertrouwen in Wilders C.S. doen afnemen. De PVV-aanhanger zal er liever voor kiezen De Telegraaf voortaan ook te etiketteren als bestempelen als ‘linkse elite’.
Is dat te negatief? Er zijn tal van voorbeelden in andere landen waarbij rechts-populistischte partijen hun aanhang lange tijd konden behouden, ook wanneer zij in opspraak kwamen, of het nu de Oostenrijkse FPÖ is of het Vlaams Blok/Belang. De Italiaanse premier Silvio Berlusconi lijkt er zelfs een electorale strategie van gemaakt te hebben. En vertegenwoordigers van de aartsconservatieve Tea Party in de Verenigde Staten doen steevast domme uitspraken die lijnrecht tegenover elke vorm van realiteitszin, feit of wetenschap staan, waarop aanhangers liever aan de objectieve wetenschap twijfelen dan aan de intellectuele potentie van de Tea Party zelf.
Wat al deze partijen gemeen hebben is dat ze het is gelukt om het icoon te worden van wantrouwen jegens de gevestigde politiek of de heersende elite. Zij hebben dat weten te institutionaliseren en kanaliseren via de eigen partij. Dat gevoel is dermate sterk dat het niet snel wegebt. Een Eric Lucassen meer of minder is dan hooguit een rimpeling op de golven van de oceaan.
De raadsvergadering van verleden week stond geheel in het teken van de begroting 2011. Een begroting waarin voor de verandering eens een keer niet meer, maar aanzienlijk minder geld uitgegeven kan worden. De broekriem moet aan, voor enkele tientallen miljoenen.
Wat de oppositie betreft, ging de begroting echter vooral om een voornemen van de nieuwe wethouder Sociale Zaken om de langdurigheidstoeslag te halveren. Bredanaars die langer dan drie jaar een maandinkomen hebben dat lager ligt dan 110% van de bijstandsnorm komen automatisch in aanmerking voor deze jaarlijkse toelage.
Die langdurigheidstoeslag leidt er onbedoeld toe dat het voor sommige mensen niet interessant is om te gaan werken. Stel, je krijgt een baan aangeboden waardoor je net boven de 110% van de bijstandsnorm terecht komt, dan vervalt je toeslag en ga je er qua inkomen zelfs op achteruit. Je kunt het deze mensen nauwelijks kwalijk nemen dat ze dan niet zo’n zin hebben in het vinden van een baan.
Er zijn echter ook mensen die te ver van de arbeidsmarkt afstaan. Dat kan komen vanwege medische problemen. Of omdat ze al zo lang werkloos zijn dat geen werknemer ze in dienst wil nemen. En dan heb je ook nog gezinnen met kinderen. En die kinderen mogen niet de dupe worden van de baanloosheid van hun ouders. Tal van uitzonderingen dus, die in mijn ogen op de één of andere manier een extra steuntje van de gemeentelijke overheid moeten krijgen. Dat kan een op maat toegesneden werktoeleidingstraject zijn voor mensen die daardoor op termijn wel een carrière, en dus economische zelfstandigheid kunnen opbouwen. Dat kunnen in andere gevallen voorzieningen zijn voor opgroeiende kinderen. En in sommige gevallen een aanvulling op het inkomen van mensen die buiten hun schuld niet kunnen werken. Chronisch zieken bijvoorbeeld, die ook nog eens veel extra medische kosten hebben.
Om al die mensen, met hun eigen individuele problemen en behoeften, goed te kunnen bedienen, is een automatische langdurigheidstoeslag niet het juiste instrument. Je wil die mensen aan het loket hebben, zodat je deze specifieke behoeften goed in kaart kunt brengen en met deze mensen samen een toegesneden plan kunt uitwerken. In die specifieke behoefte van mensen kun je niet voorzien door iedereen een standaard geldbedrag per jaar aan te bieden in de vorm van een langdurigheidstoeslag. Wat mij betreft liever specifieke oplossingen op maat voor een ieder, in plaats van een generieke uitkering. Kijken of je mensen uit de armoede kunt krijgen, in plaats van de armoede iets minder erg te maken. Dat is wat mij betreft het meest sociale beleid
Het debat ging vorige week echter helemaal niet over al die nuances. De PvdA en de SP hadden slechts één standpunt: de langdurigheidstoeslag moet blijven. Daarmee gaven deze partijen in mijn ogen geen blijk van de specifieke behoeften van elk individu. En daarmee hebben zij de kwetsbaren in onze samenleving wat mij betreft een slechte dienst bewezen.
De aantrekkingskracht van een stad op de creatieve klasse is maatgevend voor de potentie die zo’n stad heeft op het gebied van innovatie, technologische ontwikkeling en nieuwe werkgelegenheid, zo herkauwde ik gisteren al het toonaangevende boek ‘The rise of the Creative Class’ van Richard Florida. Een op zichzelf juiste, maar ook gevaarlijke veronderstelling.
Het boek van Florida is, samen met het in de jaren daarvoor gepleegde onderzoek, reden geweest voor steden om zeer gericht te gaan investeren in cultuur – en ik gebruik dat woord in de meest breed mogelijke betekenis – die een economische potentie heeft. Een grote vergissing. Vele steden hebben geprobeerd succesvol gebleken formules van andere plaatsen in de wereld na te bootsen. En tegelijk was de focus vooral gericht op het top-segment: de creatieve industrie die het dichtst bij de economie staat. Een dubbele fout.
Allereerst miskent het lukraak kopiëren van formules de culturele eigenheid, de identiteit en de intrinsieke kwaliteit van de eigen stad. Ten tweede trapt de creatieve klasse er simpelweg niet in. Een aantrekkelijk vestigingsklimaat begint, helemaal onderop, bij ruimte voor autonome creativiteit. Dat vraagt om vrijplaatsen, om een uitdagende atmosfeer, om het creëren van mogelijkheden voor ontwikkeling en dat vraagt bovenal om een liberaal stedelijk klimaat. En, laat het maar hardop gezegd worden, daar zijn we in Nederland niet goed in. Onze regelzucht, onze ordeningsdrang en onze verantwoordingscultuur, ons hele zijn als Nederlanders verhoudt zich maar moeizaam met het bieden van ruimte voor een autonome levensstijl. En dat geldt in het eeuwenlang door de Katholieke zuil gedomineerde Brabant waarschijnlijk nog veel meer dan in andere delen van Nederland.
Dus daar gaat de ambitie van het binnenhalen van de nominatie voor de titel Culturele Hoofdstad 2018, zult U denken. Geenszins. Wie aantrekkelijk wil zijn voor de creatieve klasse moet allereerst immers putten uit de eigen, intrinsieke kracht en uniciteit. En die heeft Brabant, als exponent van de Nederlandse Bourgondische cultuur, wel degelijk. Brabanders zijn bij uitstek verbinders, mensen die graag het groepsverband opzoeken. Het verenigingsleven in Brabant behoort tot de sterksten in Nederland en wellicht zelfs ver daarbuiten. De kracht om dingen samen te doen, dat kenmerkt de Brabantse mentaliteit. En die eigenschap is weer een unique selling point in onze kandidatuur voor 2018. Een eigenschap die als eerste tot uiting komt dat het niet één stad alleen, maar een heel stedelijk weefsel is dat zich kandideert als Culturele Hoofdstad: niet alleen Breda, Den Bosch, Eindhoven Helmond en Tilburg samen met de provincie, maar, zoals Van de Donk het consequent omschrijft: stad èn ommeland. Heel Brabant dus, met ‘s Hertogenbosch als Primus inter Pares.
Zoals ik gisteren al schreef is de kandidatuur voor de titel Culturele Hoofdstad niet een doel op zich, maar een uitermate geschikt vehikel om de ontwikkeling van het Brabantse stedelijke weefsel op een hoger plan te tillen. Ik ben er vast van overtuigd dat we die investeringen die we moeten doen om de nominatie binnen te slepen, sowieso hadden moeten plegen om als regio onze positie te verbeteren. Dat is niet zozeer alleen een economische noodzaak, maar vooral een maatschappelijke wenselijkheid. Rest dus dat struikelblok van de liberale samenleving die ruimte biedt voor autonome ontwikkeling. Ik denk dat we de komende jaren zullen moeten gaan gebruiken om daar een geheel eigen, Brabants model op te bedenken. Dat is niet alleen een opdracht voor cultuurwethouders, het is er één van alle beleidsterreinen, van onderwijs tot veiligheid. En het is een uitnodiging aan alle facetten van de samenleving, van bedrijfsleven tot carnavalsvereniging en voetbalclub tot kunstcluster.
Brabant is in 2018 de culturele hoofdstad van Europa. Nu ja, goed, we moeten de kandidatuur nog wel even binnenslepen, maar dat we het gaan worden, dat weet vaandeldrager en Commissaris der Koningin Wim van de Donk eigenlijk al zeker. Een beetje branie is helemaal niet verkeerd in dit soort trajecten.
Vorige week bracht ik samen met een delegatie raadsleden, wethouders, ambtenaren en betrokkenen uit Brabant een bezoek aan het Ruhrgebied, waar 53 gemeenten zich dit jaar, onder aanvoering van Essen – net als Istanbul – Culturele Hoofdstad mogen noemen. Het was een indrukwekkend bezoek. Daar waar Ruhr in eerste instantie associaties oproept met gesloten mijnen, verdwenen industrie en leegstand in de steden, blijkt het tegendeel waar. Of althans, blijkt het tegendeel ook waas. Ruhr heeft het verdwijnen van de zware industrie aangegrepen om een transitie naar nieuwe werkgelegenheid in gang te zetten en het de nominatie voor Culturele Hoofdstad heeft hen daarbij enorm geholpen.
Dat cultuur in al haar facetten een belangrijke motor is van economische ontwikkeling, zou sinds het doodgeknuffelde, soms verguisde en helaas vaak verkeerd uitgelegde boek van Richard Florida niet meer uitgelegd hoeven worden. Florida beschrijft de creatieve klasse als de motor van sociale en economische innovatie. En daarbij gaat het niet alleen om kunst in enge zin, maar ook om wetenschap, technologische innovatie, maar bijvoorbeeld ook sport.
Nu is er geen recept voor het aantrekken van die creatieve klasse. Ze kiezen immers autonoom hun eigen vestigingsplaats. Maar steden kunnen er wel voor zorgen dat ze aantrekkelijk zijn voor deze groep. De Brabantse kandidatuur voor de titel Culturele Hoofdstad is een instrument, een vehikel om de komende jaren te gaan werken aan dat juiste vestigingsklimaat. Dat betekent niet dat de vijf steden in Brabant ineens allemaal nieuwe dingen moeten gaan initiëren en een nieuwe identiteit moet gaan bedenken. Nee, het gaat erom dat Brabant datgene dat er impliciet aan kracht en aantrekkelijkheid al is in de provincie, met elkaar in verbinding wordt gebracht en wordt versterkt. Brabant moet niet op andere Culturele Hoofdsteden willen lijken. Sterker nog, we willen er juist niet op lijken. In de uniciteit zit de kracht van een regio, een stad of een stedelijk weefsel en die uniciteit moeten we ten volste uitnutten.
De kandidatuur van Brabant als Culturele Hoofdstad van Europa in 2018 biedt een enorme kans voor de regio om zich te ontwikkelen. Zelfs als we de nominatie onverhoopt niet binnenslepen. Alhoewel die laatste gedachte, om Van der Donk nog maar eens aan te halen, natuurlijk volstrekt ridicuul is. Een beetje Branie kan Brabant wel gebruiken.
Eigenlijk hoefden we er alleen maar op te wachten totdat er een evenement in Breda de handdoek in de ring zou gooien. Al jaren heb ik in de politiek gewaarschuwd tegen te strenge regels. Of ze nu van de brandweer zijn, sinds Volendam, of van de politie, sinds de strandrellen in Hoek van Holland. Deze week maakte het bestuur van de Harley-dag bekend er geen zin meer in te hebben.
De afgelopen jaren is het aantal regels waar evenementen aan moeten voldoen steeds strenger geworden. Zo ook de Harley-dag had. Zij waren zelfs ineens aangewezen als risico-evenement waardoor het tijdens de editie van het afgelopen jaar stierf van politieagenten en leden van de Mobiele Eenheid. Je moet wel onder een heel grote steen geleefd hebben als je niet weet dat motorrijders en politie-beambten nu niet direct de ideale combinatie vormen voor een ongedwongen en gezellig feestje. Sterker nog, zo betoogt het bestuur: de opvallend aanwezige veiligheidsbeambten hadden juist tot provocatie en escalatie kunnen leiden.
Ook Breda Barst heeft te kampen met steeds strenger wordende eisen. Het nut ontgaat de organisatie helemaal: er is op Breda Barst werkelijk nog nooit iets gebeurd dat niet door de eigen vrijwilligers en het beveiligingspersoneel opgelost kon worden. Toch is na vijftien jaar ook Breda Barst ineens een ‘risico-evenement’. Te belachelijk voor woorden, maar of de organisatie wel maar even extra veiligheidsmaatregelen wilde nemen, zo meldde de ambtenaar belast met de vergunningverlening in de laatste weken voor het festival. Met gefrustreerde bestuursleden en duizenden euro’s aan onverwachte extra uitgaven als gevolg. Ook binnen de organisatie van Breda Barst is het enthousiasme om door te gaan nu niet bepaald gegroeid dankzij de steeds strenger wordende houding van overheid.
De Nederlandse regelzucht heeft een enorme vlucht gemaakt na de cafébrand in Volendam. De brandweer heeft er in Breda de handen vol aan om jaarlijks te controleren of de cafés met carnaval wel andere, bredere deuren hebben geplaatst, versiering wel voldoende is geïmpregneerd en podia niet een centimeter te dicht bij bestaande bebouwing geplaatst zijn. En met de Strandrellen in Hoek van Holland en de ramp op de Love Parade is bestuurlijk Nederland helemaal paranoia geworden. En bestuurders doen in zo’n geval wat bestuurders altijd doen: nog meer regels bedenken. De felle discussie over beeldschermen tijdens het WK staat nog duidelijk op mijn netvlies.
Aan de oorsprong van overdreven strenge regelgeving ligt de wens van een maatschappij om elk risico uit te sluiten. En tot op bepaalde hoogte is een overheid ook verantwoordelijk voor een veilige leefomgeving. Maar zoals elke verantwoordelijkheid van de overheid geldt ook in deze kwestie dat er een redelijke grens is aan wat van een overheid verwacht mag worden. Er is een moment waarop de bemoeizucht van de overheid begrensd moet worden. Immers, een onbegrensde focus op veiligheid leidt ertoe dat er in Nederland straks niets meer mogelijk is. De Harley-dag is het eerste evenement dat de ultieme consequentie trekt. De overheid moet accepteren dat we leven in een risico-maatschappij. De verantwoordelijkheid van een overheid is om die risico’s te beperken. Maar het uitbannen van elk risico is onmogelijk en het streven daarnaar onwenselijk. Want het uitbannen van risico’s betekent eveneens het niet meer ondernemen van activiteiten. Een risicoloze samenleving is er één waar niets meer in gebeurd. Een samenleving van stilstand.
Er is nog een ander pervers effect als gevolg van strengere, door de overheid opgelegde regels. Naarmate een overheid meer en meer onwrikbare regels oplegt aan een evenement, zal het eigen verantwoordelijkheidsgevoel van de organisatie afnemen. Allereerst omdat de organisatie het eigen veiligheidsbeleid van het evenement niet kan vormgeven en ten tweede omdat de strenge regels van de overheid leiden tot een schijnzekerheid. Men denkt dat met meer regels elke onvoorzienbaar probleem vooraf is getackeld. Maar het karakter van het leven is nu juist dat risico’s zich voordoen op plaatsen of momenten waar deze niet verwacht worden. Wanneer je een evenement veilig wilt laten verlopen, is het dus van belang dat een organisatie beschikt over medewerkers die weten wat er zich afspeelt en vervolgens op de juiste manier kunnen improviseren om zo een probleem zo snel mogelijk op te lossen. Dat laat zich niet vastleggen in gedetailleerde draaiboeken, strenge procesafspraken en onwrikbare procedures. Veiligheid kun je niet vooraf op papier zetten, veiligheid moet je organiseren.
Wat voor regels geldt, geldt eigenlijk ook voor veiligeheidsbeambten. Of het nu particuliere beveiliging, politie of zelfs de mobiele eenheid is. Allereerst leidt de opzichtige aanwezigheid van officiële veiligheidsbeambten bij veel mensen tot een onprettig gevoel. Simpel gezegd: alleen de aanwezigheid van politie geeft mensen het impliciete gevoel dat het wel onveilig zal zijn. Immers, als het veilig was, zou er geen politie aanwezig zijn. Nog veel erger is het echter dat de aanwezigheid van al te veel politie ook leidt tot een passieve houding van medewerkers van het evenement en de bezoekers. Bij Breda Barst heb ik het diverse keren mogen meemaken dat een beginnend opstootje in de kiem werd gesmoord door leden van de crew of door bezoekers van het festival. Maar hoe meer officiëel veiligheidspersoneel er is, hoe minder mensen bereid zullen zijn zelf in te grijpen. Net zoals bij voetbalwedstrijden stewards veel effectiever zijn in het beheersen van mogelijke problemen, zo is bij een festival of een evenement de eigen organisatie vaak veel beter in staat om de veiligheid te beschermen. Er zijn talloze onderzoeken gedaan naar crowd-managment die dit onderschrijven.
Op 14 december praat de commissie over veiligheid in relatie tot evenementen. Dat staat al maanden in de agenda. Ik vrees echter dat de uitkomst van die discussie voor de Harley-dag te laat zal zijn. Een groot verlies voor Breda en een nieuw bewijs voor de kwalijke effecten van een misleid veiligheidsbeleid. Wie de schoen past, trekke hem aan.
Er zijn als raadslid handige dingen die je kunt doen en er zijn minder handige dingen. Mijn actie van afgelopen weekeinde behoort duidelijk tot die laatste categorie.
Vrijdag was ik het grootste gedeelte van de dag aan het werk op het stadhuis. Die avond had ik een etentje bij een vriend en ben direct vanuit het stadhuis die kant op gegaan. Na de – overigens lekkere – maaltijd gingen we de stad in. En even langs het stadhuis om mijn laptop en een pond kaas, die ik eerder die dag op de markt had gekocht, op te halen. De vriend in kwestie ging mee en kreeg meteen een persoonlijke rondleiding door het stadhuis. Nu heeft dat stadhuis ook een kleine klokkentoren. En, het verhaal is niet zo moeilijk te voorspellen, we konden de verleiding om de klok een keer of wat te laten luiden, niet weerstaan. Een zeer adequaat politieteam maakte het verhaal af. Op verdenking van inbraak of lokaalvredebreuk werden we beide meegenomen voor verhoor.
Het is in dit soort gevallen meestal slechts een kwestie van tijd voordat de media er lucht van krijgen En dat moment was vandaag aangebroken. Vanaf vanochtend stond de telefoon roodgloeiend. De batterij van mijn N97 werd sneller leeggebeld dan mijn lader ‘m kon vullen.
En dus weet iedereen, of ze nu lezer zijn van GeenStijl, BN/DeStem, Breda Vandaag, Algemeen Dagblad, De Telegraaf, Elsevier, Trouw, De Volkskrant, dan wel luisteraar of kijker van Omroep Brabant, 3FM of het Radio 1-Journaal, wie die geheimzinnige klokkenluider van Breda toch is. Ik was het. Ik beken. En voor iedereen die vindt dat een dergelijke kwajongensstreek niet past bij een raadslid, mea culpa. Ik zal het nooit meer doen. Maar rock ‘n roll is het natuurlijk wel.
A propos, de pond kaas heb ik eigenlijk nooit meer teruggezien.
Wanneer we door de Lage Vucht-polder fietsten, citeerde mijn moeder altijd uit ‘De Polder en Het Riet’ van Annie M.G. Schmidt. „De polder zegt: Ik lig hier op mijn rug en tuur de ganse lieve dag naar boven; misschien is het verbeelding maar ik vind dat ik aldus de wolken beter zien kan.” Ik vermoed dat ze het gedicht nog altijd uit haar hoofd kent.
Vroeger leek de polder eindeloos te duren. Met mijn korte beentjes trapte met al mijn kracht het kinderfietsje over de hobbelige, gele steentjes van de polderweg richting opa en oma. De brug over het Markkanaal was gelijk een colletje van de buitencategorie, slechts te bedwingen nadat we bij het tiental knotwilgen – ergens halverwege de reis – eerst een rustpauze hadden genomen. Een Napoleon-zuurtje als ravitaillering.
Mijn opa en oma woonden toen nog aan de Raadhuisstraat nummer 42. Een monumentaal pand, daterend uit 1767. Het pand heeft alles overleefd: ondergelopen kelders bij de watersnood, een granaat in de achtertuin en een bom aan het einde van de straat tijdens de oorlog. Ontelbare malen moet mijn grootvader het dak opgeklommen zijn om pannen recht te leggen of met weer een nieuw stuk lood het volgende lek te verhelpen. Maar opa werd ouder en tegen het einde werden de binnenvallende druppels nog slechts met emmers en pannen op de vliering opgevangen. Althans, zo staat me bij. Misschien is het slechts verbeelding.
Zo’n tien jaar geleden zijn ze verhuisd naar een bungalowwoning verderop in het dorp. Opa is niet lang daarna, rond deze tijd precies negen jaar geleden, overleden. Nu is het voor oma ook bijna zover. Eten en drinken doet ze al niet meer, af en toe prevelt ze iets onverstaanbaars. Ze is op haar verzoek drie dagen geleden al bediend. Een uur later vroeg ze nog steeds om Mijnheer Pastoor.
Voor het eerst sinds jaren fietste ik vanavond weer de route door de polder, onderweg naar oma. Niet dat ze me nog herkent, de arme ziel. Ze is haar man, haar kleinkinderen en, zo vermoed ik, zelfs de meeste van haar kinderen al vergeten. Af en toe slaat ze haar ogen open en staart ze hulpeloos naar de persoon die op dat moment haar hand vasthoudt. Ze wil hoesten, maar het lijf heeft er de kracht niet meer voor. Het is over en mocht Mijnheer Pastoor enige invloed hebben, zou hij ervoor zorgen dat het vooral niet lang meer duurt. Negentig is net een jaar of wat te oud voor oma.
Ik ben ook nog even langs de Raadhuisstraat gefietst. Het ouderlijk huis is sinds het vertrek nooit meer onderhouden. Vervallen, de ramen dichtgespijkerd, de immense groentetuin, waar opa vroeger asperges, aardbeien en sla verbouwde, omgeploegd tot grasveld. De gigantische kelder en de spookachtige zolder waren vroeger voer voor tientallen spannende verhalen over geesten en andere bangmakerij, meestal uit de mond van mijn jongste oom. Het huis staat leeg en heeft zijn glans verloren.
Opa, spoedig zal ze bij U zijn. Alhoewel U wel weet dat ik daar eigenlijk niet in geloof.
Update 27-7 11.32u: „Het is goed zo”, zou opa gezegd hebben.Vanochtend rond zes uur is ze overleden.