
Ik kwam vandaag een jongen tegen,
die het waard was om te dichten,
zo kraste mijn vulpen vannacht op het papier.
Twee A-viertjes. Houten tafel, helaas wel gefineerd.
Het relaas van een ontmoeting.
wherever, whatever, have a nice day
Verhoog de kilometergrens van het leerlingenvervoer van twee naar vier kilometer. Dat was het voorstel van het college om ook op het leerlingenvervoer een bezuiniging van een ton in te boeken op een totaal budget van 1,9 miljoen euro. Er leek aanvankelijk weinig mis met het voorstel. De verordening bood namelijk ruimte om voor kinderen met een handicap een uitzondering te maken.
Het leerlingenvervoer is ooit ontstaan vanuit de gedachte dat voor kinderen die te ver van school wonen, busvervoer werd aangeboden. Het gaat dan om kinderen die om wat voor reden dan ook niet om de hoek op school kunnen. Het gaat in de praktijk om kinderen die vanwege een leerprobleem of een verstandelijke of fysieke beperking een speciaal onderwijstype volgen, zoals de Mytylschool. Maar ook om kinderen die de ouders om religieuze redenen naar een school van een bijzondere denominatie sturen. Of leerlingen die naar de Vrije School gaan.
En daar wringt de schoen. Kinderen met een beperking kunnen niet kiezen voor de school om de hoek. Zij zullen bijna altijd verder van hun school afwonen. Het is dus logisch dat voor deze leerlingen vervoer wordt aangeboden op het moment dat zij niet zelfstandig of met hun ouders/verzorgers naar school kunnen. Maar wat mij betreft houdt die overheidsverantwoordelijkheid op bij leerlingen waarvan de ouders kiezen voor een bijzonder onderwijstype of een excentrieke denominatie. Waarom zou de gemeente het vervoer moeten betalen voor ouders die hun kind persé naar, pak ‘m beet, gereformeerde Basisschool in Almerk willen sturen.
Bij het al dan niet toekennen van Leerlingenvervoer zou niet de afstand tussen school en thuis de bepalende factor moeten zijn, maar de vraag of leerlingen wel of niet zelfstandig of met hun ouders/verzorgers op school kunnen komen. Niet de kilometergrens dus, maar de individuele noodzaak. En met dit idee in het achterhoofd ging ik, samen met VVD-collega Thierry Aartsen (waarvoor hulde) aan de slag.
Nu laat de wetgever ruimte aan gemeenten om de kilometergrens zelf te bepalen, met een maximum bij zes kilometer. Of we hoog of laag springen, we komen er niet onderuit de leerlingen die naar Almkerk moeten, tegemoet te komen in de kosten. Maar voor alle leerlingen die korter dan zes kilometer van school wonen, geldt een bepaalde gemeentelijke beleidsvrijheid. Ons idee was dan ook om de kilometergrens niet ‘slechts’ naar vier, maar de maximale zes kilometer op te rekken, en op basis van individuele toekenningen de gevallen die vervoer nodig hebben te blijven faciliteren. Net zoals we dat nu al doen met vervoersaanvragen die in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (o.a. gehandicaptenvervoer) vallen.
Nu is het van belang de groep die alsnog leerlingenvervoer krijgt, goed te bepalen. Allereerst is de mate van beperking een belangrijke factor. Als een kind met rolstoel vervoerd moet worden, is vaak aangepast vervoer nodig. Kinderen met alleen een verstandelijke handicap kunnen vaak veel makkelijker door de ouders zelf gebracht worden. Maar als dat zelfde kind een agressieve stoornis heeft, of heel druk is, kan dat niet zonder begeleiding en is leerlingenvervoer weer wel geboden. Elk geval moet dus goed in beeld komen. Toegegeven, het zal niet één-twee-drie in kaart gebracht zijn.
De wethouder was aanvankelijk niet enthousiast. Maar werd dat meer en meer. CDA en D66 waren niet meteen enthousiast en vreesden te veel bureaucratie die zou leiden tot extra kosten. En PvdA en SP waren wel enthousiast, maar vreesden dat er mensen buiten de boot zouden vallen door een te strenge toepassing. Dus aan het begin van de vergadering was het nog zeer de vraag of het idee een meerderheid zou halen. Het was sjorren, trekken, duwen en lullen als brugman. Maar aan het eind van de vergadering is het voorstel van GroenLinks en VVD, tot mijn eigen verrassing, unaniem aangenomen.
Daarmee heeft de gemeenteraad in mijn ogen een goed en belangrijk besluit genomen. Daarmee heeft de wethouder een boeiende opdracht meegekregen. En daarmee heeft Breda straks als eerste gemeente een moderne, eerlijke, houdbare en goedkopere regeling voor het leerlingenvervoer.
Lees de Motie Leerlingenvervoer (pdf).

En toen mocht het Bredaas Museum de deuren sluiten. Want deze coalitie doet volgens sommigen natuurlijk niets liever dan welke voorziening dan ook het liefst tot de grond toe af te branden. Maar nee, de deuren sluiten, dat was nu net niet de bedoeling van een door GroenLinks en D66 ingediende motie over het museum.
Ik heb me als raadslid altijd hard gemaakt voor de positie die culturele voorzieningen en initiatieven in de stad hebben. Wat mij betreft geen onevenredige bezuinigingen op cultuur, zoals dat bijvoorbeeld landelijk door dit kabinet wèl gebeurt. Wij willen geen kaalslag of een grote kaasschaaf over het totaal aan cultuurbudgetten. Tot nu toe zijn de bestaande cultuurgelden dan ook in stand gebleven. En sterker, is er een extra investeringsintentie in het kader van Brabant Culturele Hoofdstad. Dat is in Nederland in deze bezuinigingstijd uniek.
Tegelijk echter, besef ik dat in deze tijd, waarin tal van gebieden geconfronteerd worden met forse budgetverlagingen, ook het beleidsveld cultuur niet geheel ontzien kan worden. Maar wat mij betreft geen ongerichte bezuiniging. Dus niet: tig initiatieven en culturele evenementen korten of de nek omdraaien. Dat zou naar onze mening namelijk desastreus zijn voor de culturele dynamiek in Breda. Dan kies ik er liever voor om binnen de cultuurbudgetten één scherpe keuze te maken. Eén scherpe keuze die een flinke besparing oplevert en die zo min mogelijk ten koste gaat van het maatschappelijk rendement dat cultuur in de breedste zin in de stad oplevert. Het oog viel al snel op een slecht draaiend museum: het Bredaas Museum.
Om de laatst vastgestelde cijfers over 2009 weer te geven: 19.849 bezoekers (doelstelling was 25.000) in het hoofdgebouw. In 2010 waren dit er aanzienlijk meer, omdat het succesvolle tweejaarlijkse evenement Breda Photo het hoofdgebouw gebruikte voor een deel van de exposities. Van de 20.000 bezoekers wordt een kwart behaald met verplichte bezoeken van schoolklassen. De maatschappelijke relevantie van het museum is, met zo weinig bezoekers, alles behalve optimaal.
Tegenover deze bezoekers staat een totale begroting voor het museum van 2,6 miljoen euro. Het grootste deel van dit geld gaat zitten in het beheer en onderhoud van een kostbaar gebouw op één van de duurste locaties van Breda. Een gebouw dat voor een groot deel gebruikt wordt als depot (opslagruimte) en voor een deel (derde verdieping) niet gebruikt wordt. En een gebouw dat niet aan de nieuwe museale eisen voldoet voor de opslag van kunst als erfgoed. Eigenlijk is het enige lichtpuntje voor het Bredaas Museum het succes van een aantal dependances. Uitstallingen in de Grote Kerk, de zilvercollectie in het Begijnhof en het beeld van Hercules (Vuile Jan) dat opgesteld staat in het casino behalen jaarlijks ruim het dubbele aantal bezoekers van de tentoonstellingen in het hoofdgebouw. De dependances zijn hèt succes van een verder vrij slecht draaiend museum.
Nu snap ik als geen ander dat bezoekerscijfers alleen niet het geschikte meetinstrument zijn voor het afmeten van cultureel of maatschappelijk belang. Maar daar waar de doelstelling van het museum is om het erfgoed van de stad te ontsluiten aan de stad, weet het museum deze doelstelling niet op een succesvolle wijze te volbrengen. Dat heeft in mijn ogen vooral te maken met het feit dat een erfgoedmuseum oude stijl als concept niet meer aansluit bij de beleving van potentieel geïnteresseerden. Het museum moet naar een andere werkwijze toe: erfgoed ontsluiten via wisseltentoonstellingen op verschillende locaties. Locaties die een relatie hebben met het thema van de tentoonstelling. Het erfgoed wordt dan op een relevantere manier ontsloten, namelijk in een context waarin locatie, plaats en object elkaar versterken. Maar tot nog toe heeft het museum op dat vlak nog te weinig gedaan.
Ik ben ervan overtuigd dat een nieuwe formule meer mensen trekt en het huidige dure gebouw dan ook niet meer nodig is. Het depot kan verhuizen naar een opslagruimte op een veel minder dure locatie. Een depot dat wèl voldoet aan de huidige eisen van opslag. Dit kan een flinke besparing opleveren, tot wel één miljoen. Daarnaast kan de huidige werkwijze van het museum veel beter. Minder aankopen, gerichtere collectieopbouw en betere scholing van het personeel en een efficiëntere bedrijfsvoering.
Daarom stond mijn handtekening onder een motie van GroenLinks en D66. Om de discussie over een toekomstvast museum dat wèl relevant is voor de stad eindelijk eens van de grond te tillen. En ja, een museum dat daarmee ook een bijdrage levert aan de bezuinigingsopgave van de stad. Een kleiner, beter museum. Ik ben ervan overtuigd dat dat gaat lukken.

Als ik mijn wereldbeeld zou moeten omschrijven, doe ik dat met de woorden progressief, vrijzinnig en liberaal. Ik zie mezelf als vrijheidsdenkend, vrijheidslievend en vrijheidsminnend. Het wordt interessant wanneer je zo’n opvatting gaat vertalen naar het persoonlijke leven.
Er zijn, grofweg, die vlakken waarop mensen zich tot elkaar verhouden. Het intellectuele vlak, het emotionele vlak en het fysieke vlak. Je kunt iemand intellectueel spannend vinden, of juist ronduit saai. Emotioneel kun je van iemand houden, of iemand haten. En fysiek is er een wereld tussen vechten en vrijen. Alhoewel sommige huwelijken bewijzen dat het ook allebei kan. Op deze vlakken, intellectueel, emotioneel of fysiek, knopen wij allerlei relaties met malkander aan.
Nu wil het geval dat onze samenleving om duistere en op geen enkele wijze logisch verklaarbare redenen die waarschijnlijk verband houden met en oorsprong vinden in de Rooms Katholieke Kerk, ooit bedacht heeft dat het fysieke aspect van een relatie exclusiviteit geniet. En om nog duisterder reden is dat nog steeds het uitgangspunt van relatievorming in Nederland. Wie een romantische relatie aangaat met iemand van de wederhelft – of iemand van de eigen helft, mocht U dat verkiezen – doet daarmee de impliciete belofte lichamelijk ‘trouw’ te zijn. Een impliciete belofte waar de ander overigens expliciet op zal handhaven. Onthoud nu even het woord ‘trouw’. Want het is een curieus gegeven dat in romantische partnerschappen dat begrip trouw enkelvoudig op alleen het fysieke deel van de relatie toegepast wordt.
Intellectuele exclusiviteit is niet alleen een gotspe, het is vooral een onoverbrugbare tegenstelling. Wie zijn grenzen niet verlegt, de horizon niet verruimd, kan immers niet intellectueel genoemd worden. Wie intellectueel een exclusieve relatie zou aangaan, zal zijn intellect voor altijd onontgonnen laten. Een wereld zonder meervoudige intellectuele relaties is volstrekt ondenkbaar.
Emotioneel is ‘concurrentie’ ook toegestaan. Men mag een romantische relatie hebben, men heeft daarnaast ook altijd nog familie, vrienden, aardige collegae en waarschijnlijk een stuk of wat echt goede vrienden waarmee men een heel diepe band onderhoudt. Romantische relaties die daar tussen denken te moeten komen zijn geen lang leven beschoren. Volstrekt logisch dat er intellectueel en emotioneel geshopt mag worden. Sterker, moet worden, want het maakt ons mens.
De reden van dit betoog: Ik ben hardgrondig aanhanger, propagandist en verspreider van het macaroni-beginsel. Macaroni, mits goed klaargemaakt, is best lekker. Maar dat is nog geen reden om nooit meer iets anders dan macaroni te eten. En net als met macaroni, zo is het ook met fysieke intimiteit. Of beter gezegd, met seks. Ik kan me voorstellen, en ik hoop, dat iedereen seksueel meer dan gelukkig is met zijn of haar exclusieve partner. Maar het blijft natuurlijk wel gewoon elke dag macaroni. De ene dag misschien een wat andere saus, wat andere kruiden erbij. Maar macaroni. Terwijl het hart soms schreeuwt om Bouillabaisse. In de afwisseling, daar hebben ze het avontuur verstopt.
Over iets meer dan elf dagen is het lente. Tijd voor een frisse wind. Een mooi moment om de ramen te openen en dat conformistische relatie-beeld uit het raam te gooien. Laat vanaf nu het woord ‘trouw’ niet meer worden gedefinieerd door de mate waarin Uw partner met anderen de lakens deelt. Laat het gedefinieerd worden door al die keren dat Uw partner daarna weer is teruggekomen. Dat, lieve vrienden, dat is trouw.

Er zijn van die beelden die bijblijven. Zoals die zomerdag dat de raad op werkbezoek was in de Scheldebuurt. Op de hoek van de Amerstraat en de Amstelstraat leunde je tegen de muur en las hardop in jezelf de dichtregels van Y. Né op die de nieuwbouw in de buurt sierden. „Ze schrijft zó mooi”, verzuchtte je.
Die anekdote tekent jouw als mens. Genieten van de simpele schoonheid. Toen je vanuit je woonplaats Bavel verhuisde naar Breda was dat misschien een weemoedig afscheid, maar bovenal een vrolijk begin. Ineens kon je de toren vanuit je woning zien. En twee in jouw ogen foeilelijke suikersilo’s die wat jou betreft geen dat te vroeg gesloopt zijn. Maurice en Bart had je ze genoemd. Naar twee raadsleden die de silo’s wilden behouden.
Maar je kon soms ook een nors mannetje zijn Ger. Ooit lanceerde GroenLinks een plan om huurwoningen makkelijker aan zittende huurders te kunnen verkopen om zo het eigen woningbezit onder lagere inkomens te bevorderen. Het was een plan dat van jou, sociaal-democraat en volkshuisvestingsman pur sang, op geen enkele goedkeuring kon rekenen. ‘Zwartrechts’, fluisterde jij je fractievoorzitter in, die de opmerking vervolgens overnam. Een rel was geboren. Je hebt later je excuses aangeboden voor de opmerking. En dat is in je te prijzen.
We hebben ze nog vaak gehad hoor. Discussies over volkshuisvesting. We hadden ooit het idee om samen een visie te ontwikkelen. Het is er nooit van gekomen helaas. Waarom weet ik eigenlijk niet. Soms blijven goede ideeën te lang in de kast staan en worden ze vergeten.
Ger, het ging de laatste tijd bergafwaarts met je gezondheid. En misschien was je zo langzamerhand ook wel klaar. Het nadeel van oud worden is dat je onderweg zoveel dierbaren verliest. Je hebt wat dat betreft je portie meer dan gehad. We hebben vaak discussies gehad over wat eerlijk is. Het leven in zijn algemeenheid is dat echter vrijwel nooit.
Van een PvdA-collega hoorde ik dat een aantal fractieleden aan het eind van vorig jaar nog een heel gezellige avond bij jou hebben doorgebracht. Het schijnt dat ik ook nog over tafel ben gegaan. Ongetwijfeld met een paar venijnige grappen over GroenLinks erbij. En eerlijk gezegd deed me dat deugd. Deze Bredase coalitie is de jouwe niet. Jij zou jij niet zijn als je tot het laatste moment jouw ongezouten mening zou verkondigen. Die bevlogenheid, al waren we het over de inhoud lang niet altijd eens, daar neem ik graag een voorbeeld aan.
Het was bloedirritant en fantastisch mooi om met je samen te werken. Ger, het ga je goed.
Kijk, wolken
werpen vogels
zaaien vlinders
vullen de rivieren
herhalen hun liefde en
ze noemen geen tijd
zeggen nooit
dit is al geschreven.
Y. Né

De vaste grond begint onder de voeten van de wereld weg te zakken. Waren het vorige week nog Vandermeersch die besloot de helft van het NRC af te snijden en Nokia die het eigen open-source project verraadde en een deal sloot met Microsoft, nu is het de BBC die bekend heeft gemaakt haar uitzendingen via de 648 kHz te zullen staken. Het begint er op te lijken dat daarmee een nieuwe iconoclastische periode is begonnen.
Nu is de 463 meter band op zich niet zo heilig. In 1939 was die nog in handen van een radiozender in Lyon. Pas in maart 1950, als gevolg van nieuwe Europese afspraken die bekend staan als het Frequentieplan van Kopenhagen (een klein drama voor de radioconsumenten trouwens, die massaal de stemschaal van hun radio moesten vervangen en daar bruut vijf gulden voor moesten neertellen), kwam de 648, toen eigenlijk nog de 647 kHz, in handen van de Engelsen. Pas na 1978, toen BBC Radio 3 van de frequentie verdween, werd het de thuishaven van de World Service die sinds die tijd met 500 kilowatt geheel Europa bestrijkt.
Het tragische van de beslissing de energieverslindende zender in Orfordness te sluiten is vooral de teloorgang van het stuk geschiedenis dat aan de World Service voorafgaat. Het waren de Engelsen die begin vorige eeuw pionierden op de korte golf. Het Britse Rijk overspande de hele wereld, de Engelsen heersten over de golven. Ook de radiogolven.
Toen de Tweede Wereldoorlog in1939 uitbrak, had de BBC in Engeland een uitgekiend netwerk van nationale en regionale zenders. Gevaarlijk, zo beoordeelde men. In een tijd dan GPS nog niet bestond, gaven juist die regionale zenders onbedoeld informatie die gebruikt kon worden voor plaatsbepaling. Om dat te voorkomen werden direct alle Engelse zenders gelijkgeschakeld. Onder de naam Home Service kreeg elke BBC-zender een uniforme, nationale programmering.
Tijdens de beginjaren van die oorlog introduceerde de BBC ook een European Service. In het door Duitsland bezette Europa was vrijwel geen onafhankelijke (lees: geallieerde) informatie meer te krijgen. En dus werden alle zenders op het continent gericht. Oorlogen werden niet meer gewonnen in loopgraven, maar in de lucht en in de ether. Het moeten ongetwijfeld de meest heroïsche dagen van het radiovak geweest zijn.
Het belang van de externe services van de BBC werd in de jaren na de oorlog alleen nog maar groter. De European Service werd in 1965 samen met de inmiddels tot Overseas Service omgedoopte Empire Service hernoemd tot de World Service. De zenders bleven op Europa gericht en gaven onafhankelijke informatie aan inwoners van Warschau-pact landen en de Sovjet-Unie. In de voormalige koloniën verschoof de focus meer naar informatie en educatie. Met langlopende en nog altijd uitgezonden programma’s als Outlook verbond de BBC bewoners van allerlei plekken op de wereld met elkaar. Of met de legendarische Alistair Cooke die vijftig jaar lang wekelijks zijn Letters from America voorlas voor de microfoons van de Beeb.
Over een maand, op 27 maart, gaat de zender uit de lucht. Omdat de energierekening te hoog is. En omdat Europa niet meer luistert. Althans, niet naar de 648. Europa heeft internet en satellieten en luistert digitaal. Daar heeft de reiziger op zee of in de trein weliswaar geen donder aan, maar om daarvoor een tonnen kostende middengolfzender te laten draaien is kennelijk anno 2011 niet meer zo interessant.
Zeventig jaar na de start van de European Service, nota bene nu de halve Arabische wereld in brand staat, houdt de BBC op met haar uitzendingen aan Europa. Zal het geluid van de Big Ben nooit meer over de radiogolven van de 648 naar het continent gedragen worden. Het is het einde van de radio.
Alhoewel, ergens in Droitwich staat een dapper klein zendertje op de 1500 meter het geluid van BBC radio 4 met 400 kilowatt Europa in te blazen. Een zender die de BBC al lang had willen ontmantelen, ware het niet dat een groep verknochte langegolfluisteraars daar al jaren succesvol campagne tegen voert. En omdat de frequentie, hoe bijzonder is dat, gebruikt wordt voor het uitzenden van tijdsignalen voor energiemeters van het Economy 7 systeem.

‘De Krant is een meneer’, is de titel van een boekje dat ergens naast het werk van Martin van Amerongen in mijn kast prijkt. Maar het is meer dan een titel. Het is een gevoel. Het is de verbeelding van een intellectuele nieuwsgierigheid. Het is een uiting van respect voor één van de oerproducten van het metier van journailleschrijvers.
De Krant is een meneer. Een deftige meneer ook. En anno 2011 misschien ook een beetje een onhandige meneer. Traag, niet in staat om het tempo van de jongere telgen uit de mediafamilie bij te benen. Maar een meneer met aanzien. Beschouwend, analytisch, overdenkend. Het trage tempo van de krant maakt het gedrukte nieuws wellicht achterhaald, maar biedt daarmee juist de tijd voor de weloverwogen reflectie op de dag die voorbijging. Een bredere kijk op de wereld dan de vluchtigheid van actualiteit ons kan bieden. De krant is een meneer.
Die meneer was voor mij ruim een decennium het NRC. Mijn NRC. Een avondkrant. Waarvan naar de beste tradities van voorganger het Algemeen handelsblad de redactieburelen van oudsher niet bevolkt werden door hijgerige nieuwsjutters, maar door sigarenrokende denkers in driedelig pak. De andere kranten hadden het nieuws, maar het was pas waar als het in het Handelsblad gedrukt stond.
Dit laatste bastion lijkt nu beslecht. Nadat de nieuwe hoofdredacteur Peter Vandermeersch de laatste maanden al druk bezig was de koers van de krant te verleggen in een richting die niet past bij die meneer die mij zo dierbaar is, wordt nu ook de verschijningsvorm geweld aangedaan. Het degelijke, ietwat ouderwetse driedelige maatpak wordt verruild voor spijkerbroek en t-shirt. De broadsheet wordt een tabloid.
Het is slechts vorm, denken mensen. En handig voor in de trein. Maar de avondkrant leest men niet in de trein. Die leest men aan de salontafel, of in een fauteuil. Nee, het is niet slechts vorm, de vorm verbeeld de essentie van het intrinsieke zijn van een krant die een meneer is: brede visies. Neergeschreven in acht kolommen wanneer dat nodig is.
Ik neem afscheid van de laatste krant die het totnogtoe tot eer strekte een meneer te willen zijn. Met de introductie van de tabloid verkiest Peter Vandermeersch ook in verschijningsvorm de waan van de dag. Een knieval voor de massa. Het NRC is mijn krant niet meer. Het NRC is geen meneer. Het is een jongetje geworden.
De gemeenteraad van Breda is tegen het plan van minister Opstelten om een wietpas in te voeren. Alleen het CDA en de VVD stemden tegen de motie die ik namens GroenLinks en met steun van de zes overige partijen indiende. Daarmee volgt Breda het voorbeeld van Den Bosch en Eindhoven, die een soortgelijke motie tegen de invoering van de wietpas al eerder aannamen.
Invoering van de wietpas zou betekenen dat coffeeshops straks alleen nog maar toegankelijk zijn voor Bredanaars. Daarmee hoopt Opstelten de georganiseerde misdaad achter de coffeeshops aan te pakken. Een onzinnig plan. Als mensen niet meer in de coffeeshops terecht kunnen, zoeken ze hun heil elders. Straathandelaren zullen daar gretig op inspelen met als gevolg meer straathandel, meer overlast en meer vermenging van soft- en harddrugs. De georganiseerde misdaad zal het ondertussen een biet zijn via welke kanalen zij hun drugs verkopen.
Breda heeft het geluk een aantal betrouwbare coffeeshophouders te hebben waar goede afspraken mee te maken zijn. De Bredase coffeeshops verkopen geen harddrugs en geven voorlichting over de risico’s van overmatig drugsgebruik. De Bredase coffeeshophouders nemen dus nadrukkelijk hun verantwoordelijkheid. Straathandelaren daarentegen, hebben daar lak aan. Die verkopen naast hasjiesj en weed ook allerlei andere leuke drugs die ze maar al te graag aan de man brengen. Wietpas of niet.
Daarnaast is de invoering van de wietpas niet te handhaven. De extra controles bij coffeeshops en het aanpakken van de toegenomen straat- en thuishandel zal een enorme politiecapaciteit vergen. Als de minister al zo nodig zijn eigen wil moet doordrukken, dan zou het fatsoenlijk zijn om ons er ook vijftig agenten bij te leveren. Maar het liefst heb ik dat de politie zich helemaal niet hoeft bezig te houden met een soort veredelde ingangscontrole. Laat die mensen nu toch eens lekker echte boeven vangen, in plaats van argeloze coffeeshopgangers uit Terheijden of Turnhout terug te sturen, zou ik tegen Opstelten willen zeggen.
Als het Opstelten nu echt om de inhoud is te doen, zou hij zijn gedachten moeten veranderen. Je treft de georganiseerde misdaad achter de achterdeur echt niet met een wietpas. Dat is wishfull thinking. Het enige gevolg is dat iemand van zestien straks nog makkelijker op de straat aan zijn joint kan komen. En dat ‘ie vervolgens ook nog Ketamine, Speed of GHB krijgt aangeboden. Ik kan me niet voorstellen dat de minister dat voor ogen heeft. De Bredase gemeenteraad, GroenLinks voorop, in ieder geval zeker niet.
Met een motie van afkeuring tegen de fractie en een motie tegen de trainingsmissie in Afghanistan leek het congres een clash te worden tegen voor- en tegenstanders van de steun die de Tweede Kamerfractie had uitgesproken voor een missie om in Afghanistan politiemensen op te leiden.
Die clash bleek uiteindelijk mee te vallen. Bij de uiteindelijke stemming werd de motie van afkeuring door driekwart (75,2 procent) van de aanwezigen verworpen. Ook was ruim tweederde van het congres (69,8 procent) niet tegen de voorgenomen opleidingsmissie in Kunduz. Wel, en dat is ook van belang, vond iets meer dan de helft ( 52,6 procent) dat er in aanloop naar het besluit beter gecommuniceerd had moeten worden met de leden over de afwegingen van de fractie.
Nog belangrijker is echter dat de sfeer tussen voor- en tegenstanders over het algemeen respectvol was. Slechts één maal vloog één van de tegenstanders uit de bocht door te beweren dat de Tweede Kamerfractie lak had aan de mening van de leden. Iets dat door het congres direct werd beantwoord met een subtiel boe-geroep. In de foyer van de congreslocatie was dan ook geen enkele sprake van kilheid of conflict.
Desondanks is een missie, zelfs een opbouwmissie als deze, een teer onderwerp bij GroenLinks. Dat blijkt aan het aantal opzeggingen, zo’n 750. Dat is pijnlijk. Voor een aantal principiële pacifisten blijkt ook een opleidingsmissie als deze onverteerbaar. Tegelijk heeft de partij, dankzij de gewetensvolle en zuivere, niet opportunistische houding van de Tweede Kamerfractie, er 650 nieuwe leden bij gekregen. En ook dat is een signaal. De nieuwe politiek van Jolande Sap, die zich niet heeft laten leiden door electorale motieven, wordt gewaardeerd. Een opstelling waarbij ingenomen standpunten niet worden bepaald door of je nu oppositie of coalitie bent, maar een opstelling die zich laat leiden door inhoudelijke argumenten. Bipartisanship, noemen ze dat in de Verenigde Staten van Amerika. Depolarisatie, is de Nederlandse tegenhanger van deze constructieve politiek.
Zelf heb ik nog een bijdrage geleverd aan de steun voor de Tweede kamerfractie. Hij is te zien in de videocompilatie (op 5’05”). De volledige tekst staat hieronder.
Vrienden,
Eerst was er ons verkiezingsprogramma, waarin staat: ‘Wij laten Afghanistan niet in de steek’.
Vervolgens kwam de motie van Mariko Peters en Alexander Pechthold. Met als strekking: ‘wij laten Afghanistan niet in de steek’.
En daarna kwam het kabinet met een voorstel voor een politiemissie. En dat was niet onze missie.
En toen heeft Jolande gedaan wat politici doen, wat idealistische politici doen.
Eisen stellen, garanties vragen, onderhandelen.
Onderhandelen totdat het een missie werd die wel bij ons past. Want wij laten Afghanistan niet in de steek.
Ik weet dat het een moeilijke afweging geweest moet zijn. Voor iedereen, zeker ook voor de tweede kamerfractie. Maar het is een zuivere afweging geweest. Integer, gewetensvol. Met het hoofd opgeheven. En de rug recht.
Jolande, Respect!

Ik hoef niet zo heel veel te zeggen over Afghanistan. Alles wat er over de voorgestelde missie in Kunduz en de stellingname van GroenLinks is te zeggen, heet de afgelopen dagen op enigerlei wijze de revue al wel gepasseerd. Soms zinvolle analyses van voor- en tegenstanders, soms een diarree van halve verwensingen.
Mijn reden om lid te worden van GroenLinks was destijds primair ingegeven vanuit een enorme bezorgdheid om het milieu en het weigeren te accepteren dat de welvaart en de macht in de wereld fundamenteel onrechtvaardig is verdeeld. De wereld is een global village en wat er in Cairo, New York of Kandahar gebeurt is, zeker voor de westerse mens, net zo dichtbij als de gebeurtenissen twee dorpen verderop. Nederland heeft een internationale verantwoordelijkheid, voor vrede, voor veiligheid, voor vrijheid. Ook in Afghanistan.
Voor de helderheid: ik was één van de eerste, die op zaterdag 20 oktober 2001, met slechts een kleine duizend anderen, demonstreerde tegen de nieuwe oorlog in Afghanistan. Het was de verkeerde oorlog, met de verkeerde middelen, om de verkeerde reden. Het doel was niet om decennialang voortdurende onderdrukking te beëindigen, doel was het oppakken van een misdadige organisatie in een ongeorganiseerd land. Voor de duidelijkheid: Bin Laden loopt nog steeds ergens rond.
Gelukkig heeft die nieuwe oorlog er wel toe geleid dat de Taliban als regering is verdreven. En dat de situatie voor miljoenen Afghaanse vrouwen en meisjes mondjesmaat verbeterd is. Tegelijk is het volkomen helder dat de situatie in Afghanistan nog lang niet zo stabiel is dat het land zonder internationale bemoeienis verder kan, dan zou het land immers binnen de kortste keren afglijden naar een nieuwe dictatuur van radicaal islamitische oppressie of, wellicht nog erger, een permanente oorlogssituatie. Niet de omgeving die je 33 miljoen Afghanen toewenst. Niets doen is geen optie.
De internationale gemeenschap heeft een verantwoordelijkheid, en Nederland dus ook. Bijvoorbeeld met de opleiding van politiepersoneel. Dat, want zo is de situatie, af en toe inderdaad in bijna para-militaire acties verzeild zal raken. Kunduz is nu eenmaal geen Delfzijl. En de Tweede Kamerfractie heeft een juiste keuze gemaakt. Een juiste keuze door, in tegenstelling tot PvdA en de SP, niet categorisch elke politiemissie op voorhand af te wijzen. Een juiste keuze door duidelijk te maken aan welke voorwaarden een missie moet voldoen, wil deze de steun van GroenLinks krijgen. En een juiste keuze door open te staan voor toezeggingen van het kabinet en een eigenstandige afweging te maken. Een afweging die niet werd beïnvloed door eendimensionale dogma’s, publieke druk of electorale belangen. Daar is de dagelijkse situatie van miljoenen Afghanen te belangrijk voor.
Ik benijd de Tweede Kamerleden van GroenLinks niet, die de afgelopen dagen en weken moeilijke afwegingen hebben moeten maken en door sommigen uit de achterban tamelijk aanmatigend of zelfs onheus werden bejegend. Aan mijn collega partijleden heb ik slechts één overweging. Ons verkiezingsprogramma leest:
„Nederland laat Afghanistan niet in de steek. De opbouw van een democratische, veilige rechtsstaat heeft er prioriteit. Dat vereist grotere inspanningen voor corruptiebestrijding, versterking van bestuur, rechtspraak, civiele organisaties en de positie van vrouwen, alsmede onderhandelingen met gematigde Taliban. Nederland draagt meer politietrainers bij aan de EU-opleidingsmissie. Ons land steunt geen offensieve militaire operaties.” Aan een ieder die overweegt op het congres, komende zaterdag, een motie van afkeuring of wantrouwen in te dienen of te steunen: wat is nu precies het grote verschil tussen programmapunt 27 uit het verkiezingsprogramma van GroenLinks en de missie die nu op stapel staat en is dat verschil zo groot dat dit de kloof rechtvaardigt tussen een vorig jaar vrijwel unaniem aangenomen verkiezingsprogramma en een nu dreigende motie van afkeuring?