Dutch local politician for the environmentalist party GroenLinks, tends to be serious at times but usually has a slightly absurd and overall happy and sunny mental disposition.
Een koude maandagmorgen. De trein kwam met een kleine tien minuten vertraging binnen op station Breda. In de coupé waar ik binnenstapte zat een jongen te luisteren naar zijn mp3-speler. Het was heerlijk stil. Ik sloeg mijn boek open en maakte me op voor een rustige reis.
Totdat in Dordrecht twee ambtenaren van het ministerie van BZK binnenstapten. Een vriendelijk ogende jongeman en zijn even vriendelijk ogende collega. Twee rustige, bedeesde stemmen verdreven de serene rust. Ze waren bezig met een onderzoek naar geweld op de werkvloer en bespraken de onderzoeksopzet.
Veertig minuten lang moest ik verplicht luisteren naar methodieken, cijferbetrouwbaarheid en beleidsprioriteiten. Vervolgens over agressieve bejegening van ambtenaren van de sociale diensten door cliënten, en vice versa.
Totdat ik mijn kapmes tevoorschijn haalde en een einde maakte aan deze ondraaglijke afleiding van mijn literatuur. In gedachten dan hè. Ik kan mezelf namelijk goed beheersen en, bovenal, had ik geen kapmes bij me.
Maar een onderzoekje naar verbaal geweld van medetreinpassagiers in de richting van mensen die gewoon een boek willen lezen, lijkt me best een interessant onderzoekje voor het komende begrotingsjaar.
Woensdagavond stond het veiligheidsprogramma centraal in de commissie Bestuur. Een hoop speerpunten waar je het allemaal niet mee oneens kunt zijn, maar ik miste een overkoepelende visie. En dat gaf mij de gelegenheid om een al wat langer sluimerend punt van mezelf maar eens naar voren te schuiven, namelijk over de verruwing van de samenleving.
De ombudsman schreef een jaar geleden al eens dat burgers soms ontzettend ruw en vol onbegrip kunnen reageren op de overheid, maar dat het handelen van de overheid daar zelf vaak mede debet aan is. Zo willen ambtenaren zich nog wel eens verschuilen achter regels, zonder uit te leggen waarom iets niet kan of juist moet. Of soms worden regels gebruikt voor zaken waar ze oorspronkelijk niet voor bedoeld zijn. Iedereen kent situaties waarbij de overheid zich onredelijk star opstelt, terwijl een enigszins flexibele houding logisch zou zijn. De ombudsman pleitte dan ook voor een overheid die meer servicegericht werkt.
Die ontwikkeling kun je ook zien bij het dossier veiligheid. Elke onwenselijke situatie proberen we te voorkomen door regeltjes in te voeren. Soms zijn dat goede regels, soms zijn ze wat ondoordacht. Maar met elke nieuwe regel wordt het steeds minder vanzelfsprekend om het gezond verstand te gebruiken. Terwijl dat eigenlijk het eerste uitgangspunt zou moeten zijn. Van politiemensen wordt vervolgens verwacht dat zij al die duizenden regeltjes gaan handhaven. Zeker wanneer een regel onduidelijk is, niet begrepen wordt of onwerkbaar is, leidt dat tot gevoelens van onmacht en agressie. In plaats van dialoog, komen twee partijen lijnrecht tegenover elkaar te staan.
Wat je ook ziet is dat de wijze waarop sommige politiebeambten mensen aanspreken, niet optimaal is. Het komt misschien door de werkdruk, maar bij sommigen begint een gesprek al meteen afstandelijk. Met een wat meer open, vriendelijke toon bereik je vaak veel meer en werk je deëscaleren. Pas als dat niet werkt, kun je altijd nog op een meer dwingende aanpak overgaan. Iedereen zal het belachelijk vinden dat iemand een boete krijgt voor het niet bij zich hebben van een ID-bewijs als er verder niets aan de hand is.
Mijn suggestie voor de burgo: schrijf nu eens een overkoepelende visie voor de vertegenwoordigers van het gezag, of het nu ambtenaren of politiemensen zijn, over bejegening. Zowel in woord als in daad. Hoe willen we dat de overheid met zijn burgers omgaat? Dus, als voorbeeld, niet alleen om een ID-bewijs vragen als je dat wil zien, maar ook uitleggen waarom je dat doet. Niet meteen een boete opleggen als iemand dat niet bij zich heeft.
De burgemeester vond het een interessante suggestie en gaat ‘m uitwerken.
De tweede week terug in Nederland stond bol van de politieke bijeenkomsten. Naast de jaarlijkse hoorzitting met de wijk- en dorpsraden waren er twee commissievergaderingen. Rode draad was telkens de relatie tussen de overheid en de politiek.
In de commissie Milieu en Mobiliteit stond onder meer het onderwerp stadsverwarming op de agenda. Een aantal bewoners hebben het idee dat ze te veel betalen voor hun stadverwarming en heeft de politiek ingeschakeld om hen te helpen bij hun strijd tegen Essent. Probleem is echter dat dit een private kwestie is tussen de bewoners en de energieleverancier. De gemeente kan namens de bewoners geen rol spelen in zo’n proces. In het beste geval kan de wethouder vragen aan Essent om coulant met haar klanten om te gaan. Maar zo’n verzoek heeft juridisch weinig om het lijf.
De meerderheid van de commissie had daar echter geen boodschap aan. Kennelijk vindt niet iedereen het even makkelijk om ‘nee’ te verkopen, ook al heb je daar steekhoudende argumenten voor. Dat is wel een beetje zorgwekkend. Als politicus moet je niet altijd de populariteitswedstrijd willen winnen, maar ook aangeven wat wel en niet binnen je mogelijkheden ligt. Niemand heft er wat aan als de gemeente later alsno niet ontvankelijk wordt verklaard en de bewoners in hun claim tegen Essent weer van voor af aan moeten beginnen. Ik stond daar helaas tamelijk alleen in. „Jij was ook niet aardig voor ons”, zei één van de bewoners na afloop van de commissie tegen mij. Maar ik zit dan ook niet in de raad omdat ik zo’n hoge aaibaarheidsfactor heb.
Veel tijd om te acclimatiseren had ik niet. Ruim drie weken had ik op geen enkele manier aan werk gedacht, maar eenmaal terug in Nederland stond er al weer van alles op de agenda.
Zo moest ik vrijdag niet alleen opdraven bij mijn eerste vergadering van 2009 , maar ook de vakantiefoto’s wegbrengen (en ophalen), moesten er boodschappen gedaan worden, wasjes gedraaid worden en had ik weken geen echte platenzaak van binnen gezien. Wat strikt genomen overigens niet helemaal waar was, aangezien ik in Montevideo nog wel een paar LP’s was tegengekomen.
In het kader van de sociale contacten stond Jaap vrijdagavond al op de stoep. En was zondag de nieuwjaarsborrel van de Bredase afdeling van GroenLinks, traditioneel altijd de laatste nieuwjarsborrel van het jaar. Stond maandag naast het begin van mijn eerste werkweek van de werkgroep cyclische producten op me te wachten. Was er dinsdag de commissie Onderwijs en Economie. Had ik woensdag een laatste afscheidsbijeenkomst van het toekomstpanel van GroenLinks, waarbij werd opgemerkt dat, achteraf gezien, niemand eigenlijk zat te wachten op een nieuw beginselprogramma. Iets wat ik overigens een half jaar geleden al riep. Het verwondert me telkens weer dat eenmaal in gang gezette processen amper tegen te houden zijn, zelfs als iedereen kan zien dat er geen behoefte aan is. Maar goed.
En op donderdagavond? Had ik eindelijk tijd om weer wat wat achterstallige blogjes te schrijven. En, zoals te lezen, schiet dat nog steeds niet erg op. Vandaar deze tijdelijke inhaalactie: de weekblog. Zouden we met een beetje geluk toch over een dag of elf bij vandaag aangekomen moeten zijn.
Ik was nog niet koud een dag in Nederland, of er stonden al weer afspraken in mijn agenda. En dus trok ik om vier uur naar het stadskantoor voor een overleg met wethouder Aarts over de toekomst van de Heilig Hartkerk.
Het was een aparte combinatie van mensen. Allereerst bestond het gezelschap geheel en al uit GroenLinksers (Piet Hein en ik) of CDA-ers (de rest). De rest, dat waren in dit geval Wethouder Aarts, raadslid Mattie Boidìn en de burgemeester van Woudrichem en voorzitter van de taskforce toekomst kerkgebouwen, Frank Petter. Nu ken ik Mattie, behalve als collega raadslid, al veel langer als de moeder van schoolgenoten van mij op de middelbare school. En Frank Petter op zijn beurt, is de zwager van Piet Hein. Terug in Nederland viel me ineens weer op hoe klein de wereld soms kan zijn.
Overigens, het hoofd Erfgoed was er ook bij. We waren dan ook bijelkaar gekomen om te praten over de Heilig Hartkerk. Stichting Woonzorg Nederland had het in zijn hoofd gehaald het middenschip van de kerk te slopen ten behoeve van nieuwbouw om zo de voorgevel te kunnen redden. Aangezien het hier een rijksmonument betreft, hadden wij daar weinig trek in. Daar moest de wethouder alleen ook nog van overtuigd worden.
Dat laatste bleek aanmerkelijk makkelijker dan dat ik eerst dacht. Sterker nog, ze had zichzelf al overtuigd. Mijn vacantie heeft haar goed gedaan, dacht ik nog even. De rest van het uur waren we dus vooral bezig met het uitwisselen van kennis en ideeën over hoe de kerk opgeknapt en in de toekomst ingevuld zou kunnen worden. Dat was nog geen gemakkelijke opgave. Je kunt niet zo maar alles in een kerk kwijt.
Mijn eerste dag terug in Nederland en ik ben nou al weer kerken aan het redden. En dat voor een atheïst.
Met een vertraging van een uur kwamen we aan op de luchthaven van Frankfurt. Het werd haasten. We hadden slechts een overstaptijd van twee uur, waar de helft inmiddels al van was verstreken. De rij bij de transit-balie van Lufthansa was ellenlang en er leek maar nauwelijks beweging in te zitten.
Na het inchecken bleken we werkelijk de hele luchthaven door te moeten lopen. Trappen op, eindeloze gangen uitlopen, trappen af en naar de douane en veiligheidsdiensten. Of we nog wat bij ons hadden. Ja hoor, vier sloffen sigaretten en een fles whisky.
Da’s twee sloffen te veel, meldde de dame mij, terwijl ze de gesealde zak met sigaretten en whisky open scheurde. Dat ze me in Sao Paulo verteld hadden dat je met zijn tweeën vier sloffen de EU binnen mag nemen, bleek onjuist. Geïrriteerd maar beleefd overhandigde ik de dame de verschuldigde 57 euro accijns. De sigaretten waren inmiddels nog nauwelijks goedkoper dan in Nederland.
Nog een klein kwartier voor onze vlucht naar Brussel zou vertrekken. Het volgende obstakel was de veiligheidspolitie. Die de fles whisky innam. Hij zat immers niet in een gesealde tas. „Ja maar die hebben Uw collegae van de douane net opengescheurd”, jammerde ik. Maar het mocht niet baten. Kennelijk worden tassen die in Sao Paulo dichtgesealed zijn, sowieso niet geaccepteerd als handbagage. „It kind of takes away the whole purpose of tax-fee shopping”, beet ik de anti-terrorismefascist toe. Ik mocht desgewenst nog terug naar de incheckbalie om de fles bij mijn gewone bagage te doen, maar aangezien mijn vliegtuig over enkele minuten zou vertrekken en de incheckbalie zo’n drie kilometer verder ligt, was dat geen optie. In de wetenschap dat elke verwensing die ik hardop zou uiten, mij ongetwijfeld een arrestatie op zou leveren, wenste ik stilletjes dat de beambte een voedselvergiftiging zou oplopen aan de whisky die hij ongetwijfeld zelf mee naar huis zou nemen en liep zonder nog iets te zeggen door. In de ruimte die ik binnenliep, barstte het van de tax-free winkeltjes waar je whisky en sigaretten kon kopen. Ik heb het niet gedaan. De hele vliegindustrie kon wat mij betreft op dat moment de lucht in.
Uiteraard hadden we inmiddels onze vlucht naar Brussel gemist. Een uur later ging de volgende. Ondertussen, geagiteerd als ik was, had ik enorme behoefte aan een sigaret en een glas whisky.
Wat doen twee mensen die negen uur moeten zien te overbruggen op een luchthaven? Juist, zij zoeken de bar alwaar zij roken en drinken.
Andere opties zijn lezen, slenteren en tax-free winkelen. Vier sloffen lucky-strikes en een fles vijftien jaar oude Glenlivet welteverstaan. Na een tweede bezoek aan het barretje kwamen we een Engelse ondernemer tegen, de eigenaar van de, volgens hemzelf, fameuze nachtclub Legs11 in Chinatown, Birmingham. Getrouwd met een Braziliaanse en geen grote fan van de politie. In Engeland althans. In Brazilië laten ze hem met rust omdat hij lijkt op iemand van de geheime politie. Hij kreeg een biertje van ons. Wij kregen een aansteker van hem.
Onze vlucht naar Frankfurt was flink vertraagd. Oh, ironie, aangezien juist een aanvankelijke vervroeging van de vlucht de reden was voor onze reisorganisatie om ons op een eerdere vlucht naar Sao Paulo te boeken. De nacht in het vliegtuig kwam ik door dankzij te slechte films op het on board entertainment system en diverse succesvolle pogingen in slaap te vallen in de vliegtuigstoel.
Tegen twaalven ‘s middags arriveerde ik in Montevideo. Oscar, een vriend van Sergio, haalde ons op met zijn net aangeschafte Mercedes. Het was lekker weer, we besloten een copieuze lunch tot ons te nemen en bij een bank iets verderop haalde ik zeshonderd dollar aan contanten van mijn creditcard om de huur van de auto waar we verleden week in rondreden, te kunnen voldoen.
Die avond was het tijd voor de laatste asado, thuis bij Marcello. De dag erna volgde onze terugreis. Of eigenlijk: de twee dagen daarna. Vanwege gewijzigde vliegtijden had onze reisorganisatie onze reservering voor de vlucht van 19.20 uur naar Sao Paulo (serieus, dat wordt dus de vierde keer dat ik op die luchthaven ben) omgeboekt naar 12.45 uur. Opnieuw negen uur wachten in een luchthaven. Het nadeel van Sao Paulo: ze hebben géén internetcafé. Het grote voordeel: ze hebben een bar waar je mag roken. Jammer dat mijn shag op is.
Ik heb verzuimd te vermelden dat zware tabak altijd een populair luxe-artikel is in het buitenland. Hoewel ik altijd incalculeer wat extra’s mee te nemen, is het telkens maar de vraag of dat wel voldoende is. Grootste afnemers van mijn zware tabak totnogtoe: een Zweedse medewerker van Socialegria. Inmiddels was ik aan mijn laatste pak shag begonnen.
De gids die ons zondag door het Amazonewoud loodste, wilde ook wel eens een zware proberen. Vriendelijk bood ik hem mijn pakje aan. Dankbaar rolde hij een shaggie en gaf het pakje vervolgens terug. In mijn onbegrensde vriendelijkheid herhaalde ik aan het eind van de wandeling de handeling en hield het pakje zware tabak opnieuw voor zijn gezicht. Hij keek mij enigszins vragend aan. Ik probeerde duidelijk te maken dat hij nog best een shaggie mocht rollen. Dankbaar knikte hij, stak het pakje shag in zijn broekzak en liep weg. Mij in verslagenheid achterlatend. Mijn Portugees is non-existent en op dit soort momenten is Fab natuurlijk nergens te bekennen.
Het verblijf in het paradijs duurde maar kort. Na vier dagen was het al weer tijd om, via Belém terug te keren naar Uruguay. In totaal had ik een reisje van een-en-twintig uur voor de boeg. Met een overstaptijd van negen en een half uur in Belém en vervolgens nog eens drie uur in Sao Paulo.
Op zich had ik, toen ik om vier uur ‘s middags in Belém aankwam, nog best even de stad in kunnen trekken. Maar mijn relatie met deze plaats was niet gebouwd op een gelukkig gesternte, dus ik bleef rond het vliegveld hangen. Sterker: er was een internetcafé, waar ik mijn mail heb bijgewerkt, gechat heb met ene Erwin en de eerste vakantieverhalen aan de tekstverwerker heb toevertrouwd. Af en toe liep ik naar buiten om een sigaret op te steken. Ik miste mijn Brandaris.
We moesten er vroeg uit, wilden we enigszins op tijd bij de communidade de Jamaraqua aankomen. Het was met het bootje van Pré immers wel een paar uurtjes varen over de Rio Tapajós. Ik moet toegeven: in een tropisch land is het best vreemd om wakker te worden als het nog donker is.
De boottocht was vooral rustig. Eens in de zoveel tijd moesten we stoppen om bij te tanken en respectievelijk iets te drinken dat op koffie leek of toestemming te vragen om het natuurreservaat binnen te varen.
De communidade de Jamaraqua is een kleine gemeenschap van een paar honderd mensen. De bewoners voorzien in hun behoeften door middel van kleinschalige landbouw en nijverheid. Zo exporteren de Jamaraquanen zelfgetapte, ruwe rubber. Een aantal van hen heeft daarnaast een baan in de grote stad, wat in dit geval Santarém is. Stromend water en riolering is er in Jamaraqua niet en de gemeenschap is pas sinds enkele maanden aangesloten op het electriciteitsnet.
We kwamen aan met onze eigen boodschappen, die door een bewoonster werd omgetoverd tot warme lunch. Jamaraqua heeft weliswaar een klein winkeltje, maar het is niet de bedoeling dat bezoekers daar te veel gebruik van maken. Het zou de tere balans in de zelfvoorzienendheid te veel vertstoren. Daarnaast: de winkelier moet telkens naar Alter-du-Chão varen om zijn voorraad aan te vullen. De winkelier vindt het nog al vreemd om die dan weer te verkopen aan bezoekers die daar zelf nota bene net vandaan komen. En gelijk heeft ‘ie.
Na een flinke en door het vochtige weer ook tamelijk vermoeiende wandeling door het Amazonewoud, lieten de bewoners ons hun rubberfabriek zien. Uit nieuwsgierigheid vroeg ik wat de komst van electriciteit nu voor verandering teweeg had gebracht in de gemeenschap. In mijn naïviteit hoopte ik nog even op nobele antwoorden over studie en arbeidsproductiviteit. „mijn zus heeft een wasmachine gekocht en ik een tweede televisie”, Antwoordde de gids ons.