Dutch local politician for the environmentalist party GroenLinks, tends to be serious at times but usually has a slightly absurd and overall happy and sunny mental disposition.
Voor sommige dingen draai ik mijn handen niet om. Spreken in het openbaar, bijvoorbeeld, gaat me prima af, ook zonder gebeld te worden in een volle trein. Voor mijn vertolking van Judas in de Superstar-sing-a-long was ik dit jaar aanmerkelijk zenuwachtiger.
Vorig jaar moest ik twee maal onder het mes om een poliep te laten verwijderen. Sinds die tijd is mijn stem zuiverder en heb ik een groter bereik. Maar aangezien ik ook al weer een tijdje niet meer in een koor zing, heb ik nooit meer geoefend op hoe die stem te gebruiken bij het zingen.
Ik was dan ook stikzenuwachtig. Allereerst bij de repetities, want in een klein, intiem oefenhok hoort iedereen wat je goed, en vooral fout doet. Maar zeker ook bij de uitvoering in, opnieuw, een uitverkocht poppodium Mezz, waar ik naast de vertolking van Judas’ Death dit jaar ook de presentatie op me moest nemen.
Met excuses voor de onzuivere inzet. Anderzijds, ik wilde altijd al eens voor een keertje een valse nicht zijn. Missie geslaagd.
NAC en GroenLinks. Het lijkt geen ideale combinatie, aangezien de fractie enkele jaren geleden tegen een reddingsoperatie van de club stemde. En deze donderdag moest de gemeenteraad beslissen over een intensieve verbouwing van het stadion van NAC.
Het was maandag een lange fractievergadering en aanvankelijk wilde mijn collega-fractieleden ook niet instemmen met de plannen. Uiteindelijk heb ik ze weten te overtuigen en staan we, voor de verandering, weliswaar kritisch, maar toch positief tegenover de plannen.
Wat is er aan de hand: de gemeenteraad van Breda besluit eind maart over de intensieve verbouwing van het stadion van NAC. Het aantal plaatsen wordt in het plan met 3.500 plaatsen uitgebreid naar 20.500 plaatsen. Ook worden de voorzieningen en de looproutes in het stadion opgeknapt zodat het stadion voldoet aan de moderne eisen. De gemeenteraad moet beslissen over die investering, omdat het stadion geen eigendom is van NAC, maar van de gemeente, die het verhuurt aan de plaatselijke voetbalvereniging.
De gemeente is eigenaar van het stadion geworden in 2003, bij een vorige reddingsoperatie van de voetbalclub. NAC verkeerde toen, net als zo’n beetje het hele betaalde voetbal, in grote financiële nood en het voortbestaan kon alleen gewaarborgd worden door het stadion voor 15,7 miljoen over te kopen van de voetbalclub. GroenLinks was toen geen voorstander van de reddingsoperatie. Het standpunt was dat een betaald voetbalclub zijn eigen broek moet kunnen ophouden en dat de gemeente niet hoeft op te draaien voor financiëel wanbeheer.
Door de reddingsoperatie van 2003 heeft de gemeente Breda een huurdersrelatie met NAC. De voetbalclub betaald maandelijks een huurbedrag aan de gemeente die de afschrijving van het stadion dekt. Daarmee was de overname van het stadion ‘budgettair neutraal’. Dat is overigens relatief: een voetbalstadion is alleen wat waard met een voetbalclub. Mocht NAC ooit failliet gaan, zal de plaatselijke balletvereniging het huurcontract echt niet overnemen en zit de gemeente met een waardeloos stadion.
Juist die huurdersrelatie maakt de situatie nu dus anders. Het stadion heeft dringend behoefte aan een opknapbeurt en ook de uitbreiding van het aantal zitplaatsen is, gezien de al jaren toenemende belangstelling, legitiem. Als verhuurder is het de verantwoordelijkheid van de gemeente om het stadion up-to-date te houden. Als ruil daarvoor gaat voor NAC de huurprijs omhoog.
Toch blijven we de plannen kritisch bekijken. Allereerst moeten de relatie tussen NAC en de gemeente ‘marktconform’ blijven. Ook wil GroenLinks een zekere mate van zekerheid over de financiële toekomst van NAC. Mocht de voetbalclub in de toekomst onverhoopt toch failliet gaan, zit de gemeente met een boekhoudkundig weliswaar waardevol, maar onverhuurbaar stadion. Om dat te voorkomen dient het financiële beleid van de club toekomstbestendig te zijn. En regelmatig een wedstrijd winnen is natuurlijk ook van harte welkom.
Het eerste internationale filmfestival Breda begon met de Nederlandse première van The Reader. Voor mij betekende het uiteindelijk een vijfdaagse onderdompeling in alles wat met film te maken had, inclusief afterparty’s in festivalcafé Het Hijgend Hert.
Er is met een hoop scepsis geschreven over het festival. Breda moest ook zo nodig een eigen filmfestival hebben. Toch is het festival meer dan zomaar een filmfestivalletje. Met het vorig jaar geopende Graphic Design Museum, de kunstacademie Sint Joost en het tweejaarlijkse Graphic Design Festival, dat wordt afgewisseld met Breda Photo, krijgt het culturele leven in Breda een eigen, onderscheidend karakter. Dat karakter wordt gemakshalve omschreven met het containerbegrip Beeldcultuur, maar in Breda richt het zich met name op Grafische Vormgeving, Photo en Film.
In het programma van het filmfestival was dan ook ruim plaats voor animatie en korte film. Daarnaast was er een heel randprogramma in, jawel, het Graphic Design Museum en waren er verspreid over de binnenstad film- en kunstprojecties in de open lucht. Het programma, vier dagen lang in de zeven zalen van de Mustsee-bioscoop, bevatte daarnaast ook een tamelijk laagdrempelig algemeen programma. Een enkeling vond het festival juist daardoor te weinig onderscheidend. Maar ik denk dat de organisatie daar juist een goede keuze heeft gemaakt. Niemand zit te wachten op een niche-festival dat alleen door een paar kenners wordt bezocht. De bredere programmering moet het festival voor iedereen toegankelijk houden. En met 10.000 bezoekers op de eerste editie lijkt dat heel aardig gelukt.
Volgend jaar een passe-partout. Voor mij wel, zeker weten. Al vast in de agenda: 24 tot 28 maart in Breda.
Café de Beyerd heeft sinds 2004 een brouwerij. Met aandeelhouders. En woensdag was de 5e jaarlijkse aandeelhoudersvergadering. Tie Schellekens, één van de commissarissen namens de aandeelhouders, had bedacht dat de vergadering maar eens een wat andere invulling moest krijgen. Het resultaat: De Beyerd draait door.
Tie Schellekens had me enkele weken eerder gevraagd of ik samen met hem deze talkshow-in-de-kroeg wilde presenteren. Het leek me best aardig om zijn tafelgast te zijn en dus antwoordde ik ja. Tie had de rollen echter anders bedacht: ik was Matthijs van Nieuwkerk en hij was mijn tafelgast.
Het werd een geweldig programma. Geweldig voorbereid door Tie. En de presentatie ging ook niet slecht. Even voelde ik me een echte celebrity toen ik na afloop van alle kanten complimenten kreeg voor deze eenmalige gebeurtenis.
Alhoewel, mocht Matthijs van Nieuwkerk ooit met vervroegd pensioen gaan…
Soms zeggen mensen iets dat ze niet zo bedoelen. Zo heeft raadslid Mieke Vossenaar ooit, bij een discussie over het hoger onderwijs, gepleit voor een campus, waar ‘de studenten elkaar dan kunnen bevruchten’. Jhe kunt de het gegrinnik in raadzaal op zo’n moment goed voorstellen.
Deze keer was het de wethouder financiën die, laat ik dat voorop stellen, een prima relatie heeft met zijn vriend. De discussie ging over een gemeentelijke garantstelling aan verzorgingstehuis Elisabeth. Zij hadden die garantstelling van de gemeente nodig omdat geen bank de benodigde lening anders wilde verstrekken. De commissie sprak over de voorwaarden die daaraan verbonden zouden moeten zijn.
Op de vraag in welke situatie men bij de wethouder terecht zou kunnen, antwoordde hij als volgt: „als ze niet op de markt kunnen klaarlomen met hun behoefte kunnen ze bij mij terecht.” D’66-raadslid Vos en ik keken elkaar aan, maar hielden onze serieuze blik aanvankelijk in de plooi. Twee vertegenwoordigers van het CDA hadden daar meer moeite mee en proestten het uit. Vos en ik hielden het vervolgens ook niet meer.
De wethouder, zich niet bewust van de dubbelzinnigheid van zijn opmerking, zette zijn betoog zonder blikken of blozen voort.
En toen begin er een nieuwe fase in mijn digitale leven. Ik ben meestal niet de eerste volger van elke nieuwe hype, maar deze 2.0-trend wil ik niet aan me voorbij laten gaan. Lieve mensen, sinds 4 maart wordt mijn leven ook ontsloten via Twitter. Het voordeel: op Twitter ben ik (www.twitter.com/selcuk_nl) altijd actueel.
„Na een korte vertraging nog redelijk op tijd in Den Haag. Ook weinig files, volgens de radio. Lang leve de crisis?” twitterde ik op woensdag 4 maart om 9.31 a.m. de wereld in. En iets later dat de helft van de lunchploeg lekkere kroketten verkoos boven de biologische. En liet ik twee dagen later weten dag erna op werkbezoek geweest te zijn bij het Open Erfgoeddepot in Den Bosch. Erg handig, dat getwitter, voor mensen die van plan zijn een aanslag op me te plegen. Of willen weten wanneer het zinvol is bij me in te breken.
Ik was net op tijd met mijn nieuwe stap in de wereld van deze Totalkommunikation. Zaterdag was namelijk het Europa-congres van GroenLinks met een heuse twittermuur. Alle berichten met de hashtag#GLEU werden op een groot scherm op het podium geprojecteerd. Experimentje.
Gelijktijdig werd er ook op het D’66-congres getwitterd. En twitterden de tweeps van GroenLinks en van D66 ook met en over elkaar. Alleen wisten de D66-tweeps aanvankelijk nog niet dat hun tweets over #GLEU plenair, door het gehele GroenLinks-congres te lezen waren. Andersom was dat overigens niet zo: bij D’66 durfden ze het nog niet aan de tweets ook te publiceren.
Het experiment verliep eigenlijk prima, ondanks de kleine vertraging op het scherm, totdat de twitteraars zich tegen de kandidaten voor de Europese lijst gingen keren. Alle mensen die voor de kopplaatsen gingen, mochten zich in drie minuten presenteren aan het congres. Dat duurt lang, gezien het forse aantal kandidaten en is ook vreselijk saai, gezien de gebrekkige presentatievaardigheid van een aantal van deze kandidaten. En met excuus, daar heeft de moderne 2.0-generatie natuurlijk geen zin in.
Al enkele jaren achterelkaar vier ik mijn 29e verjaardag. Dertig, dood en drama beginnen allemaal met een D en ik zit duidelijk nog in de ontkenningsfase.
Mijn vrienden spelen in dit spel vrolijk mee. Was ik ooit ongeveer de oudste van mijn vriendengroep, inmiddels begin ik al aardig tot de jongere garde te behoren. Ik werd deze week dan ook met grote regelmaat gefeliciteerd met mijn negenentwintigste verjaardag.
Toen ik me op zondag, als panellid bij een politiek café over kraken, moest voorstellen, was de fout dan ook snel gemaakt. Ik ben Selçuk Akinci, negenentwintig jaar en fractievoorzitter van GroenLinks in de Bredase gemeenteraad”, zei ik zonder blikken of blozen. Toen realiseerde ik me ineens mijn eerste politieke leugen.
„nou ja, eigenlijk ben ik al een paar jaar negenentwintig”, voegde ik er nog snel aan toe, „soms moet je in mijn vak de zaken net iets mooier voordoen dan ze zijn.”
Gelukkig, dacht ik en haalde opgelucht adem. De forumdiscussie was nog maar net begonnen en ik had de lachers al weer op mijn hand.
Dinsdag heerlijk naar de film geweest met Jaap. Als politicus, homo en grote fan van Gus van Sant moest ik de film Milk natuurlijk zien. Wederom een meesterwerkje.
Woensdag met Tie Schellekens de eerste voorbereidingen getroffen voor ‘De Beyerd draait door’, een televisietalkshow-in-de-kroeg die we ter gelegenheid van de jaarlijkse aandeelhoudersvergadering één keertje gaan opvoeren.
De donderdag begon met een werkbezoek aan Corus, het vroegere Hoogovens. Aan mij was de nobele taak toebedeeld om het werkbezoek van Femke Halsema en Ineke van Gent op de camera vast te leggen.
Op de terugreis ging het mis. Een treinstoring bij Leiden blokkeerde elke mogelijkheid om terug naar het Zuiden af te reizen. En ik moest mijn bijdrage voor het pré-Kadernota-debat nog helemaal uitwerken. Daarvoor had ik, na een taxi-rit naar Den Haag en vervolgens de trein naar Breda, nog welgeteld een uur. Al met al nog net genoeg.
Vrijdag naar de verjaardag van David geweest. Een originele surprise-party in Amsterdam. Met de laatste nachtnettrein terug naar huis gereisd en in slaap gevallen waardoor ik pas in Eindhoven wakker werd en maar een taxi aanriep.
Toen ik de wachtkamer van het ziekenhuis verliet, was het inmiddels al licht buiten. Mark was eerder die nacht wat ongelukkig terechtgekomen op zijn rug toen één van de bezoekers van zijn feestje iets te wild afscheid van hem nam. Sinds die tijd kon hij niet zoveel meer bewegen.
Die middag moest ik in Utrecht een bijdrage leveren aan een workshop voor GroenLinksers die het raadslidmaatschap ambiëren. Ik wandelde door Hoog Catharijne. Ter hoogte van het filiaal van de blauwe grootgrutter zaten zo’n dertig pubers vrolijk over elkaar heen te dartelen. All-stars, donker sluik haar voor de ogen en bijna allemaal een capuchon. Gefascineerd sloeg ik, draaiend aan een sjekkie, het tafereel gade.
Toen de roltrap me weer op de begane grond en de buitenwereld bracht, stonden op de stoep een jongen en een meisje met elkaar te roken en te praten. Ik kon mijn nietsgierigheid niet bedwingen en vroeg hen wat er aan de hand was. „Oh, al die emo’s bedoel je”. Ik knikte. „Nou, gewoon, we hebben via hyves een emo-meeting gepland.”
Via de sms kreeg ik het bericht dat het met Mark inmiddels weer stukken beter ging. Vrolijk liep ik verder, de Utrechtse binnenstad in.
Wordt het weer een lijvig, encyclopedisch verkiezingsprogramma, of gaan we onze energie dit jaar in andere dingen steken. Dat was misschien wel de meest interessante vraag in de ledenvergadering van GroenLinks Breda.
Bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen had GroenLinks Breda een verkiezingsprogramma van 32 kantjes A4 met lettergrootte 8 en slechts enkele afbeeldingen. Om de inhoud nog enigszins toegankelijk te maken had ik het programma toen nog voorzien van een alfabetische index. Het Bredase programma heeft inmiddels landelijk bescheiden bekendheid gekregen als voorbeeld van hoe we het niet meer willen.
Als schrijver van het laatste en voorlaatste programma heb ik inmiddels mijn portie lijvige verkiezingsbeloften wel gehad. Het probleem van dikke programma’s is dat er alles instaat wat we willen. Daar is op zich niets mis mee, ware het niet dat de gemiddelde lezer de hoofdzaken en de bijzaken daardoor niet meer kan onderscheiden. En eerlijk gezegd, wij eigenlijk ook niet echt. Daarnaast: er is geen enkele kiezer geïnteresseerd in een verkiezingsprogramma van het formaat Ikea-catalogus. Van een oplage van 500 hebben we er nog steeds zo’n 400 over.
Programma’s op hoofdijnen dus, waarin we in kort bestek onze idealen en wensen optekenen, maar vooral ook duidelijk maken hoe we keuzes maken op het moment dat meerdere van onze idealen op gespannen voet met elkaar staan. En dat dan in een paar A4-tjes of in een mooie, milieuvriendelijke en desondanks glossy folder. Kunnen we de rest van de tijd besteden aan de campagne. Ideeën hebben is fijn, maar om ze te verwezenlijken is aanhang eigenlijk nog veel belangrijker.