Suikersilo’s – week 16 2009

CSM-silos, gezien vanaf de Boschebrug
CSM-silo's, gezien vanaf de Boschebrug

De laatste weken is er in Breda een discussie losgebarsten over het al dan niet slopen van de silo’s van de voormalige suikerfabriek CSM. De vraag: gelden de betonnen silo’s uit de jaren zestig als industrieel erfgoed.

CSM stopte al een paar jaar geleden met de verwerking van suikerbieten. Spijtig, want daarmee verdween de heerlijke, weeïge  geur van de bietencampagne uit de stad. En sinds kort wordt er op het immense terrein van de CSM ook geen suiker meer verwerkt. Nu staat het CSM-terrein pal naast het historische centrum van de stad, aan de westoever van de Mark. De silo’s zijn dus met recht beeldbepalend te noemen. Waarmee overigens niet gezegd is dat deze betonklotzen ook mooi zijn.

Aanvankelijk was de afgifte van de sloopvergunning voor de silo’s een ambtelijke kwestie, die door GroenLinks-wethouder Willems geagendeerd is voor bespreking in het college. Daar bleek hij de enige die überhaupt wilde onderzoeken of de silo’s wellicht monumentwaardig waren. De bouwwerken werden langs de erfgoedmeetlat gehouden en vervolgens werd het onderwerp geagendeerd in de commissie Bouwen en Wonen. Volgens de erfgoedmeetlat scoorden ze net onvoldoende om in aanmerking te komen voor een status als gemeentelijk monument.

De meeste partijen waren voor sloop van de silo’s. Dat klopt wel ongeveer met de mening van de stad. Wat me opviel in gesprekken die ik hierover de afgelopen weken met diverse mensen heb gehad, is dat met name jongere Bredanaars de silo’s als onderdeel van de Bredase geschiedenis zagen. Ouderen, die nog hebben meegemaakt dat silo’s decennia geleden verrezen, zien ze liever vandaag dan morgen verdwijnen.

De partijen die voor het behoud van de silo’s pleitten, waren de SP, D66 en GroenLinks. De SP omdat zij vond dat er in de silo’s wel goedkope woningen voor studenten en kunstenaars gerealiseerd konden worden. D66 was van mening dat met de sloop van de silo’s een belangrijk stuk industriële historie uit de stad zou verdwijnen. Ik was het met D66 eens. Maar ik had daarbij wel een aantal kanttekeningen.

De betonnen silo’s zijn gebouwd om bieten in op te slaan. De ringbewapening in de betonnen cilinder is vooral bedoeld om zijwaartse druk op te vangen. Voor een bouwconstructie moet een silo vooral neerwaartse druk kunnen opvangen, en dat vereist een andere constructie. Herbestemming zou dus betekenen dat er in de silo een aparte, zelfdragende constructie gebouwd zou moeten worden. Niet het meest eenvoudige werk. Daarnaast moeten er uit de silo’s op zijn minst ramen gezaagd worden. Een ingrijpende wijziging in de bouwconstructie van de silo’s. Daarnaast staan de silo’s pal naast het spoor. Met de huidige veiligheidseisen mag daar niet zomaar voor bewoning gebouwd worden. Het pand zou, gezien het transport van gevaarlijke stoffen over de brabantroute, op zijn minst ernstig verstevigd moeten worden.

Behoud van de silo’s is kostbaar en technisch lastig. Daarnaast, wie score op de erfgoedmeetlat goed bestudeerd, valt op dat de silo’s vooral hoog scoren vanwege hun herinnering aan de inmiddels verdwenen suikerindustrie, hun inpassing in het stedelijk landschap en hun structuur. Met name belevingsargumenten dus. Dat bracht me op het volgende idee: in plaats van een technisch ingewikkelde operatie van herbestemming van de huidige silo’s, is het ook mogelijk om op dezelfde plaats nieuwbouw te plegen die in vorm en omvang herinnert aan de huidige silo’s. Indien in die nieuwbouw nog elementen van de huidige silo’s verwerkt kunnen worden, de belettering bijvoorbeeld, is die verwijzing naar het verleden van de suikerindustrie in mijn ogen voldoende gewaarborgd.

Of het allemaal kan, is nog de vraag. Maar het college was bereid om mijn suggestie als uitgangspunt mee te nemen in de stedebouwkundige randvoorwaarden voor het gebied. Nu nog een maand per jaar een paar bieten koken en de herrinnering aan de suikerfabriek is compleet.

Voetbalstadion – week 14 2009

NAC en GroenLinks. Het lijkt geen ideale combinatie, aangezien de fractie enkele jaren geleden tegen een reddingsoperatie van de club stemde. En deze donderdag moest de gemeenteraad beslissen over een intensieve verbouwing van het stadion van NAC.

Het was maandag een lange fractievergadering en aanvankelijk wilde mijn collega-fractieleden ook niet instemmen met de plannen. Uiteindelijk heb ik ze weten te overtuigen en staan we, voor de verandering, weliswaar kritisch, maar toch positief tegenover de plannen.

Wat is er aan de hand: de gemeenteraad van Breda besluit eind maart over de intensieve verbouwing van het stadion van NAC. Het aantal plaatsen wordt in het plan met 3.500 plaatsen uitgebreid naar 20.500 plaatsen. Ook worden de voorzieningen en de looproutes in het stadion opgeknapt zodat het stadion voldoet aan de moderne eisen. De gemeenteraad moet beslissen over die investering, omdat het stadion geen eigendom is van NAC, maar van de gemeente, die het verhuurt aan de plaatselijke voetbalvereniging.

De gemeente is eigenaar van het stadion geworden in 2003, bij een vorige reddingsoperatie van de voetbalclub. NAC verkeerde toen, net als zo’n beetje het hele betaalde voetbal, in grote financiële nood en het voortbestaan kon alleen gewaarborgd worden door het stadion voor 15,7 miljoen over te kopen van de voetbalclub. GroenLinks was toen geen voorstander van de reddingsoperatie. Het standpunt was dat een betaald voetbalclub zijn eigen broek moet kunnen ophouden en dat de gemeente niet hoeft op te draaien voor financiëel wanbeheer.

Door de reddingsoperatie van 2003 heeft de gemeente Breda een huurdersrelatie met NAC. De voetbalclub betaald maandelijks een huurbedrag aan de gemeente die de afschrijving van het stadion dekt. Daarmee was de overname van het stadion ‘budgettair neutraal’. Dat is overigens relatief:  een voetbalstadion is alleen wat waard met een voetbalclub. Mocht NAC ooit failliet gaan, zal de plaatselijke balletvereniging het huurcontract echt niet overnemen en zit de gemeente met een waardeloos stadion.

Juist die huurdersrelatie maakt de situatie nu dus anders. Het stadion heeft dringend behoefte aan een opknapbeurt en ook de uitbreiding van het aantal zitplaatsen is, gezien de al jaren toenemende belangstelling, legitiem. Als verhuurder is het de verantwoordelijkheid van de gemeente om het stadion up-to-date te houden. Als ruil daarvoor gaat voor NAC de huurprijs omhoog.

Toch blijven we de plannen kritisch bekijken. Allereerst moeten de relatie tussen NAC en de gemeente ‘marktconform’ blijven. Ook wil GroenLinks een zekere mate van zekerheid over de financiële toekomst van NAC. Mocht de voetbalclub in de toekomst onverhoopt toch failliet gaan, zit de gemeente met een boekhoudkundig weliswaar waardevol, maar onverhuurbaar stadion. Om dat te voorkomen dient het financiële beleid van de club toekomstbestendig te zijn. En regelmatig een wedstrijd winnen is natuurlijk ook van harte welkom.

Dubbelzin – week 11 2009

Stadhuis Breda
Stadhuis Breda

Soms zeggen mensen iets dat ze niet zo bedoelen. Zo heeft raadslid Mieke Vossenaar ooit, bij een discussie over het hoger onderwijs, gepleit voor een campus, waar ‘de studenten elkaar dan kunnen bevruchten’. Jhe kunt de het gegrinnik in raadzaal op zo’n moment goed voorstellen.

Deze keer was het de wethouder financiën die, laat ik dat voorop stellen, een prima relatie heeft met zijn vriend. De discussie ging over een gemeentelijke garantstelling aan verzorgingstehuis Elisabeth. Zij hadden die garantstelling van de gemeente nodig omdat geen bank de benodigde lening anders wilde verstrekken. De commissie sprak over de voorwaarden die daaraan verbonden zouden moeten zijn.

Op de vraag in welke situatie men bij de wethouder terecht zou kunnen, antwoordde hij als volgt: „als ze niet op de markt kunnen klaarlomen met hun behoefte kunnen ze bij mij terecht.” D’66-raadslid Vos en ik keken elkaar aan, maar hielden onze serieuze blik aanvankelijk in de plooi. Twee vertegenwoordigers van het CDA hadden daar meer moeite mee en proestten het uit. Vos en ik hielden het vervolgens ook niet meer.

De wethouder, zich niet bewust van de dubbelzinnigheid van zijn opmerking, zette zijn betoog zonder blikken of blozen voort.

Weeklog – week 8 2009

Sean Penn als Harvey Milk
Sean Penn als Harvey Milk

Dinsdag heerlijk naar de film geweest met Jaap. Als politicus, homo en grote fan van Gus van Sant moest ik de film Milk natuurlijk zien. Wederom een meesterwerkje.

Woensdag met Tie Schellekens de eerste voorbereidingen getroffen voor ‘De Beyerd draait door’, een televisietalkshow-in-de-kroeg die we ter gelegenheid van de jaarlijkse aandeelhoudersvergadering één keertje gaan opvoeren.

De donderdag begon met een werkbezoek aan Corus, het vroegere Hoogovens. Aan mij was de nobele taak toebedeeld om het werkbezoek van Femke Halsema en Ineke van Gent op de camera vast te leggen.

Op de terugreis ging het mis. Een treinstoring bij Leiden blokkeerde elke mogelijkheid om terug naar het Zuiden af te reizen. En ik moest mijn bijdrage voor het pré-Kadernota-debat nog helemaal uitwerken. Daarvoor had ik, na een taxi-rit naar Den Haag en vervolgens de trein naar Breda, nog welgeteld een uur. Al met al nog net genoeg.

Vrijdag naar de verjaardag van David geweest. Een originele surprise-party in Amsterdam. Met de laatste nachtnettrein terug naar huis gereisd en in slaap gevallen waardoor ik pas in Eindhoven wakker werd en maar een taxi aanriep.

verkiezingsplan – wo 11 febr. 2008

Binnenwerk verkiezingsprogramma GroenLinks Breda
Binnenwerk verkiezingsprogramma GroenLinks Breda

Wordt het weer een lijvig, encyclopedisch verkiezingsprogramma, of gaan we onze energie dit jaar in andere dingen steken. Dat was misschien wel de meest interessante vraag in de ledenvergadering van GroenLinks Breda.

Bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen had GroenLinks Breda een verkiezingsprogramma van 32 kantjes A4 met lettergrootte 8 en slechts enkele afbeeldingen. Om de inhoud nog enigszins toegankelijk te maken had ik het programma toen nog voorzien van een alfabetische index. Het Bredase programma heeft inmiddels landelijk bescheiden bekendheid gekregen als voorbeeld van hoe we het niet meer willen.

Als schrijver van het laatste en voorlaatste programma heb ik inmiddels mijn portie lijvige verkiezingsbeloften wel gehad. Het probleem van dikke programma’s is dat er alles instaat wat we willen. Daar is op zich niets mis mee, ware het niet dat de gemiddelde lezer de hoofdzaken en de bijzaken daardoor niet meer kan onderscheiden. En eerlijk gezegd, wij eigenlijk ook niet echt. Daarnaast: er is geen enkele kiezer geïnteresseerd in een verkiezingsprogramma van het formaat Ikea-catalogus. Van een oplage van 500 hebben we er nog steeds zo’n 400 over.

Programma’s op hoofdijnen dus, waarin we in kort bestek onze idealen en wensen optekenen, maar vooral ook duidelijk maken hoe we keuzes maken op het moment dat meerdere van onze idealen op gespannen voet met elkaar staan. En dat dan in een paar A4-tjes of in een mooie, milieuvriendelijke en desondanks glossy folder. Kunnen we de rest van de tijd besteden aan de campagne. Ideeën hebben is fijn, maar om ze te verwezenlijken is aanhang eigenlijk nog veel belangrijker.

De terugweek – week 6.2 2009

Tanks op het plein van de Hemelse Vrede
Tanks op het plein van de Hemelse Vrede

Woensdagavond stond het veiligheidsprogramma centraal in de commissie Bestuur. Een hoop speerpunten waar je het allemaal niet mee oneens kunt zijn, maar ik miste een overkoepelende visie. En dat gaf mij de gelegenheid om een al wat langer sluimerend punt van mezelf maar eens naar voren te schuiven, namelijk over de verruwing van de samenleving.

De ombudsman schreef een jaar geleden al eens dat burgers soms ontzettend ruw en vol onbegrip kunnen reageren op de overheid, maar dat het handelen van de overheid daar zelf vaak mede debet aan is. Zo willen ambtenaren zich nog wel eens verschuilen achter regels, zonder uit te leggen waarom iets niet kan of juist moet. Of soms worden regels gebruikt voor zaken waar ze oorspronkelijk niet voor bedoeld zijn. Iedereen kent situaties waarbij de overheid zich onredelijk star opstelt, terwijl een enigszins flexibele houding logisch zou zijn. De ombudsman pleitte dan ook voor een overheid die meer servicegericht werkt.

Die ontwikkeling kun je ook zien bij het dossier veiligheid. Elke onwenselijke situatie proberen we te voorkomen door regeltjes in te voeren. Soms zijn dat goede regels, soms zijn ze wat ondoordacht. Maar met elke nieuwe regel wordt het steeds minder vanzelfsprekend om het gezond verstand te gebruiken. Terwijl dat eigenlijk het eerste uitgangspunt zou moeten zijn. Van politiemensen wordt vervolgens verwacht dat zij al die duizenden regeltjes gaan handhaven. Zeker wanneer een regel onduidelijk is, niet begrepen wordt of onwerkbaar is, leidt dat tot gevoelens van onmacht en agressie. In plaats van dialoog, komen twee partijen lijnrecht tegenover elkaar te staan.

Wat je ook ziet is dat de wijze waarop sommige politiebeambten mensen aanspreken, niet optimaal is. Het komt misschien door de werkdruk, maar bij sommigen begint een gesprek al meteen afstandelijk. Met een wat meer open, vriendelijke toon bereik je vaak veel meer en werk je deëscaleren. Pas als dat niet werkt, kun je altijd nog op een meer dwingende aanpak overgaan. Iedereen zal het belachelijk vinden dat iemand een boete krijgt voor het niet bij zich hebben van een ID-bewijs als er verder niets aan de hand is.

Mijn suggestie voor de burgo: schrijf nu eens een overkoepelende visie voor de vertegenwoordigers van het gezag, of het nu ambtenaren of politiemensen zijn, over bejegening. Zowel in woord als in daad. Hoe willen we dat de overheid met zijn burgers omgaat? Dus, als voorbeeld, niet alleen om een ID-bewijs vragen als je dat wil zien, maar ook uitleggen waarom je dat doet. Niet meteen een boete opleggen als iemand dat niet bij zich heeft.

De burgemeester vond het een interessante suggestie en gaat ‘m uitwerken.

De terugkeek – week 6.1 2009

Warmtemeter
De tweede week terug in Nederland stond bol van de politieke bijeenkomsten. Naast de jaarlijkse hoorzitting met de wijk- en dorpsraden waren er twee commissievergaderingen. Rode draad was telkens de relatie tussen de overheid en de politiek.

In de commissie Milieu en Mobiliteit stond onder meer het onderwerp stadsverwarming op de agenda. Een aantal bewoners hebben het idee dat ze te veel betalen voor hun stadverwarming en heeft de politiek ingeschakeld om hen te helpen bij hun strijd tegen Essent. Probleem is echter dat dit een private kwestie is tussen de bewoners en de energieleverancier. De gemeente kan namens de bewoners geen rol spelen in zo’n proces. In het beste geval kan de wethouder vragen aan Essent om coulant met haar klanten om te gaan. Maar zo’n verzoek heeft juridisch weinig om het lijf.

De meerderheid van de commissie had daar echter geen boodschap aan. Kennelijk vindt niet iedereen het even makkelijk om ‘nee’ te verkopen, ook al heb je daar steekhoudende argumenten voor. Dat is wel een beetje zorgwekkend. Als politicus moet je niet altijd de populariteitswedstrijd willen winnen, maar ook aangeven wat wel en niet binnen je mogelijkheden ligt. Niemand heft er wat aan als de gemeente later alsno niet ontvankelijk wordt verklaard en de bewoners in hun claim tegen Essent weer van voor af aan moeten beginnen. Ik stond daar helaas tamelijk alleen in. „Jij was ook niet aardig voor ons”, zei één van de bewoners na afloop van de commissie tegen mij. Maar ik zit dan ook niet in de raad omdat ik zo’n hoge aaibaarheidsfactor heb.

Ter kerke – vr 23 jan. 2009

Heilig Hartkerk Breda
Heilig Hartkerk Breda

Ik was nog niet koud een dag in Nederland, of er stonden al weer afspraken in mijn agenda. En dus trok ik om vier uur naar het stadskantoor voor een overleg met wethouder Aarts over de toekomst van de Heilig Hartkerk.

Het was een aparte combinatie van mensen. Allereerst bestond het gezelschap geheel en al uit GroenLinksers (Piet Hein en ik) of CDA-ers (de rest). De rest, dat waren in dit geval Wethouder Aarts, raadslid Mattie Boidìn en de burgemeester van Woudrichem en voorzitter van de taskforce toekomst kerkgebouwen, Frank Petter. Nu ken ik Mattie, behalve als collega raadslid, al veel langer als de moeder van schoolgenoten van mij op de middelbare school. En Frank Petter op zijn beurt, is de zwager van Piet Hein. Terug in Nederland viel me ineens weer op hoe klein de wereld soms kan zijn.

Overigens, het hoofd Erfgoed was er ook bij. We waren dan ook bijelkaar gekomen om te praten over de Heilig Hartkerk. Stichting Woonzorg Nederland had het in zijn hoofd gehaald het middenschip van de kerk te slopen ten behoeve van nieuwbouw om zo de voorgevel te kunnen redden. Aangezien het hier een rijksmonument betreft, hadden wij daar weinig trek in. Daar moest de wethouder alleen ook nog van overtuigd worden.

Dat laatste bleek aanmerkelijk makkelijker dan dat ik eerst dacht. Sterker nog, ze had zichzelf al overtuigd. Mijn vacantie heeft haar goed gedaan, dacht ik nog even. De rest van het uur waren we dus vooral bezig met het uitwisselen van kennis en ideeën over hoe de kerk opgeknapt en in de toekomst ingevuld zou kunnen worden. Dat was nog geen gemakkelijke opgave. Je kunt niet zo maar alles in een kerk kwijt.

Mijn eerste dag terug in Nederland en ik ben nou al weer kerken aan het redden. En dat voor een atheïst.

Homo Testans – do 18 dec. 2008

Na het erwtensoepoverleg van afgelopen maandag heb ik nog vaak en lang met PvdA en D66 aan de telefoon gezeten. Ik was dan ook net zo vaak bellend in de gang te vinden als dat ik daadwerkelijk achter mijn bureau aan het werk was.

Horeca-sluitingstijden dus. Opnieuw een ellenlange raadsvergadering waarbij iedereen nogmaals de al uitentreuren toegelichte standpunten over het voetlicht probeerde te brengen. Een vergadering met drie schorsingen, drie keer een hoofdelijke stemming, met telkens dezelfde uitslag: 20 voor en 19 tegen. Daarmee is de kogel door de kerk: de sluitingstijden van de reguliere horeca wordt verlegd naar vier uur.

Overigens niet per direct. De burgemeester, die de hele verruiming van de openingstijden niet meer ziet zitten, had wel wat meer tijd nodig om alles uit te werken. En dus hebben we besloten dat de verruimde openingstijden pas in juni ingaan.

Daarmee is één van de minst fraaie dossiers in deze bestuursperiode eindelijk afgesloten. Aan het onderwerp zijn inmiddels meer dan een dozijn debatten gevoerd met telkens weer dezelfde standpunten. De tegenstanders verwijten ons, voorstanders van de openingstijden, dat er wel belangrijkere onderwerpen zijn om over te spreken. Daar hebben ze gelijk in. Helaas nemen ze zelf ook elke gelegenheid te baat om uitgebreid te vertellen waarom zij tegen verruiming van de openingstijden zijn. En ja, dan houd je mekaar wel effe bezig.

Hoe het ook zij, na de raadsvergadering ging ik voor de verandering eens niet mee naar de naborrel bij Café Publieke Werken. Ik moest mijn achterban opzoeken om ze het goede nieuws te vertellen. Bij de cafees, bars en feestjes waar ik langs ging werd ik met luid gejuich ontvangen. Even voelde ik me een held.

Homo Negotians – ma 15 dec. 2008

Stappen in Breda

Discussiepunten waren er genoeg bij de wat matige erwtensoep die we aten tijdens het overleg over de horecasluitingstijden.

Zoals of mensen van onder de achttien nu wel of niet tot vier uur in de kroeg mogen hangen. En of kroegen die tot vier uur open blijven nu wel of niet verplicht een portier moeten hebben staan bij de deur. En, uiteindelijk, hoe we moeten omgaan met het overmatig alcoholgebruik onder sommige jongeren. Want dat blijft toch hèt argument van het CDA waarmee ze de ons om de oren slaan.

Nu ben ik er helemaal niet van overtuigd dat de uren aan het eind van de nacht verantwoordelijk zijn voor de overmatige drankconsumptie van de groep jongeren waar het CDA telkens aan refereert. Ga op vrijdagmiddag maar eens de kroegen langs, en je komt erachter dat het veel eerder de uren aan het begin zijn, de happy hours waarbij je voor zeventig eurocent of minder een biertje kunt krijgen. „Jongeren van zestien horen niet tot ’s nachts half vijf in de stad rond te hangen”, hoor ik raadslid Irène Verkeijlen al roepen. Ik zal haar een geheim vertellen: ondanks controle aan de deur glippen minderjarigen nu al de nachtzaken binnen die sowieso tot vier uur open zijn. De openstelling van de reguliere horeca tot datzelfde tijdstip zal dus weinig uitmaken. Als jongeren eerder naar huis moeten, zullen de ouders dat toch zelf moeten afdwingen.

Vervolgens de vraag over de portiers. Mijn beeld is dat de veiligheid in een kroeg of tent meer met het aantal aanwezigen heeft te maken dan met het tijdstip van de nacht, al zal, naarmate het later is en de mensen meer onder invloed, het risico op ruzie toenemen. Aangezien het aantal mensen echter vooral van invloed is, zie ik liever dat grote horecazaken een protier hebben en dat kleine zaken met maar een handjevol mensen gewoon open kunnen blijven zonder een verplichte ‘gastheer’. Aangezien nu de grote zaken zelfs zonder verplichting een portier aanstellen, heb ik niet de indruk dat we zoiets persé in een drank- en horecaverordening hoeven vast te leggen.

Terwijl ik me met de tekst van de nieuwe verordening ging bezighouden en me zou buigen over de mogelijkheid om iets over geluidsoverlast geregeld te krijgen, zou Frans Szablevski een motie over alcoholmatigingsbeleid opstellen. We beklonken het voorlopige accoord van de Coalition of the Willing maar met een pilsje. Tegen vol tarief.