De Naald – do 30 apr. 2009

Niet alleen als mens, ook als republikein schijn je een mening te moeten hebben over de mafkees die op Koninginnedag dwars door het publiek heen reed in een mislukte poging de bus van de koninklijke familie een kromme achteras te bezorgen.

Ik weet niet meer tijdens welk radioprogramma ik die vraag hoorde, maar hij was er opeens, subtiel verwerkt in een vraaggesprek. „Wat vindt U hier als republikein nu van?” Alsof een republikein het niet erg zou vinden dat er mensen doodgereden worden door een zwarte Suziki Swift. Alsof mensen die langs de kant staan bij koninginnedag niet waardevol zouden zijn. En alsof een republikein het niet erg zou vinden als de koninklijke familie om het leven gebracht zou worden.

Voor de duidelijkheid, een republikein loopt niet de hele dag met een kapmes tussen de tanden plannen te beramen hoe Trix en consorten om te brengen. Sterker nog, eerlijk gezegd ben ik helemaal niet zo ontevreden over onze Koningin. In het zeer onwaarschijnlijke geval dat er in de nabije toekomst presidentsverkiezingen gehouden zouden worden, zou ik waarschijnlijk nog op haar stemmen ook.

Ergens halverwege de jaren ‘90 was ik enige tijd actief bij ParGo, de parlementaire werkgroep van DWARS. We besteedden onze tijd aan het opstellen van een politiek programma. Het waren de vrolijke dagen van Paars I, waarin alles dat los en vast zat geprivatiseerd moest worden. Aangezien we van mening waren dat het ‘afschaffen’ van het koningshuis iets te onvriendelijk klonk, besloten we in het programma op te nemen dat we vonden dat het koningshuis dan maar geprivatiseerd moest worden.

Ineens moet je als republikein een mening hebben over een tamelijk amateuristische aanslag op het koningshuis. Belachelijk. Net zo belachelijk als de vraag aan moslims afstand te nemen van de terroristische aanslagen die door doorgeslagen idioten in naam van het geloof worden gepleegd.

Homo Secretus – zo 2 nov. 2008

brief

Of ik er bezwaar tegen heb dat mijn medische gegevens worden opgeslagen in een elektronisch patiëntendossier, vroeg de minister mij hoogstpersoonlijk in een aan mij gerichte brief.

Ja, maar natuurlijk, dacht ik meteen. Niet dat ik ontzettend veel te verbergen heb, maar ik heb er niet zo’n behoefte aan dat, mocht ik in de toekomst nog eens aids – ik noem maar wat – krijgen, de hele medische goegemeente dat weet. Vooral omdat die medische stand tegenwoordig niet beperkt blijft tot de huisdokter en de behandelend arts, maar daar tegenwoordig nog een heel circus aan commerciële verzekeringsmannetjes bij hoort.

Heb ik iets te verbergen. Niet bepaald, maar dat is weer wat anders dan dat ik meteen maar toestemming hoef te geven mijn gegevens zo maar op de digitale straat te gooien. Als de heren doktoren willen weten hoeveel ik rook, drink en eet, dan kunnen ze dat gewoon aan mij vragen. Daarnaast heb ik al een vrij volledig elektronisch dossier op internet staan. Dit weblog.

Toch best vreemd dat iemand met een blog zijn privacy ineens zo’n belangrijk item vindt.

Homo Feriatus – vr 3 okt 2008

snoep

Elk jaar als het weer suikerfeest is, hoor je ergens wel iemand roepen dat het tijd wordt om daar een nationale feestdag van te maken. Desnoods in ruil voor tweede Pinksterdag.

Dat lijkt een sympathiek voorstel. Maar wat mij betreft doen we dat dus niet. Niet omdat ik Pinksteren zo graag in ere wil houden, maar omdat ik denk dat het invoeren van weer nieuwe, op religie gebaseerde feestdagen, onderhand maar eens afgelopen moet zijn.

En als de Islam al een eigen feestdag moet krijgen, kun je andere religies niet achterstellen. Er is volgens mij geen enkele reden om Jom Kipoer of Chanoeka bijvoorbeeld niet tot officiële nationale feestdag te benoemen. Voor een land met een joods-christelijke cultuur hebben we namelijk maar opvallend weinig joodse feestdagen op de nationale kalender staan. En als je daar eenmaal aan gaat beginnen, blijkt al snel dat er niet genoeg Pinksterdagen zijn om in te ruilen.

Wat mij betreft worden, op nieuwjaar en, vooruit dan maar, Koninginnedag na alle officiële nationale feestdagen afgeschaft. Mensen krijgen daarvoor een pakket vrije dagen dat ze naar eigen believen mogen inzetten. Om religieuze minderheden te beschermen krijgen zij het afdwingbare recht om op voor hun sacrale dagen vrij te nemen van hun werk, dat niet door de werkgever in te perken is. Behalve dan voor beroepen als politieagent, brandweerman en ziekenhuispersoneel, waarbij altijd een minimale bezetting zal moeten draaien.

Sommigen zullen zeggen dat daarmee de sociale samenhang onder druk komt te staan. Die denken dat de samenleving behoefte heeft aan collectieve rustmomenten. Die mensen zijn een beetje raar in hun hoofd. De samenleving is geen uniform geheel en het zal de ene helft van de samenleving werkelijk een worst zijn wanneer de andere helft van de samenleving een collectieve vrije dag heeft.

Jammer voor de Islamieten. Ik gun ze hun vrije dag van harte. Zolang ik maar gewoon mag werken. En trouwens, in het kader van de bestrijding van het overgewicht, zouden ze het suikerfeest eigenlijk niet gewoon moeten verbieden?

Homo Diversus – do 18 sept. 2008

mensen

De diversiteitswerkgroep kwam voor een laatste maal bij elkaar om een opiniestuk te bespreken voor het regionale dagblad BN/DeStem. Hieronder het stuk.

Nationaal bevindt de multiculturele discussie zich in een impasse. Rechts heeft slechts oog voor de gewelddadige incidenten waarbij etnische minderheden betrokken zijn, met steeds groteskere kwalificaties voor dit wangedrag. Aan de linkerkant blijft het stil. En op lokaal niveau is de politieke discussie totnogtoe blijven steken in de vraag of de tijd van het praten nu wel (CDA-raadslid Üçerler) of niet (Migrantenraad) voorbij is en of voetbalclub Barça nou gered moet worden of niet. Concrete oplossingen voor specifieke problemen lijken niet te bestaan.

Laat ons één zo’n probleem benoemen. Bepaalde etnische groepen hebben nog steeds moeite met het vinden van een fatsoenlijke baan. In sommige gevallen zijn hun mogelijkheden beperkt vanwege een lage startkwalificatie. In andere gevallen echter is er met het papiertje niets mis. Meer en meer jongens en meisjes van de derde generatie doorlopen hun onderwijscarrière met prima cijfers. En vervolgens gaat er iets mis. Ofwel bij het zoeken naar een stageplaats, dan wel na afronding van de opleiding bij het zoeken naar een baan.

Het is voor velen ondenkbaar dat twee groepen met een zelfde startkwalificatie toch verschillende carrières doorlopen. Toch gebeurt het. Marokkaanse jongens bijvoorbeeld vinden met moeite een stageplaats. Een vaste baan op niveau is nog moeilijker. De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat er nog steeds een latente discriminatie aanwezig is op de arbeidsmarkt, onbewust. Voor de duidelijkheid: het is natuurlijk niet zo dat bedrijven en instellingen beheerst worden door racisten. Dit zou een belediging zijn van de mensen die dit werk doen. Uit onderzoek van onder andere psycholoog Paul Abell is echter gebleken dat sollicitatiecommissies vaak geneigd zijn kandidaten te kiezen die het meest op henzelf lijken. Dat is jammer voor de sollicitant, maar ook voor het bedrijf. Een bedrijf met een divers samengesteld personeelsbestand kan daar in een multicultureel Nederland namelijk zijn voordeel mee doen. Let wel: in Breda is zo’n 16 procent van de potentiële klanten immers ook een etnische minderheid. En daar kun je maar het beste op ingespeeld zijn, dunkt ons. Een verscheidenheid aan inzichten kan ook de creativiteit binnen een bedrijf of instelling vergroten.

Het is een concreet punt waar de gemeente in haar diversiteitsbeleid concrete aandacht voor zou moeten hebben. Dat kan door een diversiteitsambtenaar aan te wijzen die in contact treedt met bedrijven. Zo’n ambtenaar kan, geredeneerd vanuit het commerciële belang dat bedrijven daarbij hebben, pleiten voor een actief diversiteitsbeleid op personeelszaken en kan ondersteuning bieden waar een bedrijf of instelling dat wenst, bijvoorbeeld bij een sollicitatieprocedure. Bij een divers samengestelde sollicitatiecommissie speelt het probleem van het zich minder kunnen identificeren met een kandidaat immers ook minder mee. En zo’n ambtenaar kan, in samenwerking met het onderwijsveld, de vakbond en de werkgevers, ook zoeken naar samenwerkingsverbanden die stageplaatsen voor alle Bredase studenten garandeert. Kortom, een vliegende keeper die als taak heeft om te zorgen dat ook etnische minderheden in Breda hun potentieel ten volste kunnen benutten op de arbeidsmarkt: niet vanuit voortrekkerij of positieve discriminatie, maar vanuit het wederzijdse belang van sollicitant en bedrijf of instelling. Daar is Breda zowel sociaal als economisch mee gediend. Iets wat niet gezegd kan worden over een discussie over de vraag of er nog langer gediscussieerd moet worden.

Homo Denegans – wo 27 aug. 2008

Nee. Natuurlijk was het niet Zjakelien Kramer die de advertentie in Bluf! Had ondertekend. En al helemaal niet als voorzitter van Milieudefensie. Erg geloofwaardig klinkt het allemaal niet.

Wat mij het meeste stoort aan dit nieuwe hoofdstuk van de affaire Duyvendak is de glasharde ontkenning van Cramer dat zij achter de advertentie zou staan. Het relevantie is niet zo zeer of zij destijds daadwerkelijk toestemming heeft gegeven voor het gebruik van haar naam, maar dat zij nu een beeld oproept dat het ondertekenen van de advertentie ook fout was. En dat is het natuurlijk allerminst.

De gewraakte advertentie had destijds één doel: de mogelijke vervolging van de Bluf!-redactie voor het publiceren van geheime documenten te voorkomen. De ondertekenaars deden dat door te claimen dat zij de opdracht hadden gegeven deze te publiceren. Ofwel, de redactie, dat zijn wij.

De advertentie spreekt nergens haar goedkeuring uit voor de inbraak bij het ministerie of het concreet publiceren van de adresgegevens. Toentertijd konden de ondertekenaars ook niet weten dat Bluf! Of leden van de redactie zelf betrokken waren bij de inbraak.

Zjakelien Kramer moet dus ontzettend trots zijn op haar handtekening. Zij sprak zich uit voor het recht van een redactie om informatie te onthullen die de regering onterecht geheim probeerde te houden, voor het recht op persvrijheid en vrije nieuwsgaring. Voor het recht dus eigenlijk ook van vrije meningsuiting. Dat is niet iets om je voor te schamen.

Waar ze zich voor moet schamen, is dat ze met haar ontkenning het beeld heeft neergezet dat het ondertekenen van de advertentie fout was. Ze heeft de rest van de ondertekenaars gecriminaliseerd. En dat had de minister nu niet moeten doen.

Homo Denudans – wo 30 juli 2008

Canal Pride

Ongeveer een week geleden stond er ineens ene Ramon Groothuis Pinto in de krant. Deze meneer wist ons te melden dat de meeste homo’s een afkeer hebben van de Canal Pride. Het beeld van extravagante, schaars geklede poten zou homo’s alleen maar stigmatiseren en maakt het voor veel homo’s moeilijker om uit de kast te komen.

Groothuis is eigenaar van Manview, een relatiebemiddelingsbureau voor homo’s en heeft onder zijn klantenkring gevraagd hoe men tegen de Canal Pride aankijkt. Nu ben ik persoonlijk van mening dat het nogal veelzeggend is wanneer zelfs het vinden van een levenspartner al aan een extern bureau wordt uitbesteedt, maar als mensen niet meer zelf willen jagen, is dat uiteindelijk hun eigen keus. Soit.

Groothuis en zijn klanten vinden dus dat de Pride een stigmatiserend beeld neerzet van homo’s. Hij doet daar zelf vervolgens ook nog eens flink aan mee door de deelnemers te omschrijven als „extravagante, losbandige homo’s”, alsof op elke boot alleen maar poedelnaakte mannen staan te dansen. Maar het ergste is dat hij min of meer beweert dat veel homo’s door deze beeldvorming minder snel uit de kast durven te komen. Daarmee beschuldigt hij het evenement van het creëren van een negatief klimaat voor homo’s. Terwijl juist de mate is waarin de samenleving de levensstijl van homo’s accepteert, die bepaald hoe homo-vriendelijk het klimaat is en hoe makkelijk je uit de kast kan komen.

Groothuis werkt daar in ieder geval niet aan mee, zo veel is duidelijk. Nog erger is het dat hij met zijn uitspraken de suggestie opwekt dat de Canal Pride maar beter niet gehouden kan worden, of op zijn minst wat minder ‘extravagant’ moet worden. En dat alleen omdat hij zichzelf er niet in herkent. Zijn soortgenoten moeten maar weer een beetje terug in de kast. Het zou in zijn ogen kennelijk een stuk beter zijn voor de homo-emancipatie als alle homo’s zich gewoon heteroseksueel gaan gedragen.

Voor alle duidelijkheid: het zijn niet de travestieten, de leernichten of de dramaqueens die de homo-emancipatie in de weg staan. Sterker nog, het zijn vaak deze uitgesproken voorhoedelopers geweest die de weg hebben vrijgemaakt voor een groeiende acceptatie van homo’s in het algemeen. De Canal Pride is in die zin ook vooral het vieren van het ‘anders zijn’. Anders zijn en er toch bij mogen horen.

Zo niet voor meneer Groothuis. Hij, samen met die negentig procent van zijn klantenkring die volgens zijn zeggen ook een afkeer hebben van de Canal Pride, zou het recht te zijn wie je bent voor een grote groep regenboogmensen kennelijk weer af willen schaffen. Met zijn opmerkingen in de media heeft hij de Nederlandse homo’s een slechte dienst bewezen. Misschien toch een reden voor zijn potentiële klantenkring om niet via zijn relatiebemiddelingsbureau, maar gewoon in de gayscene op zoek te gaan naar een geschikte levenspartner.

Homo Intolerans – di 29 juli 2008

Geert Wilders

Het is zeker niet goedkoop bedoeld. En wellicht ook niet helemaal eerlijk. Maar Geert Wilders is in zeker zin niet veel anders dan een salafist, de stroming binnen de Islam die hij het meeste hekelt.

Er ligt bij mij in de hoek van de woonkamer een stapel NRC’s van ruim een meter hoog. Wat heeft dat met Geert Wilders te maken? Nu, vrij weinig. Die stapel ligt er simpelweg omdat ik van mening ben dat ik nog niet alle achtergrondartikelen, opiniepagina’s en wetenschapsbijlagen voldoende heb doorgeplozen. En sinds kort wordt de stapel wekelijks weer een stukje dunner, in plaats van dikker.

Nu las ik zojuist in één van die kranten, die van 2 oktober 2007 welteverstaan, op de wetenschapspagina een interview met Bernard Haykel, hoogleraar Oosterse studies aan Princeton. Daarin licht hij een tipje van de burka op over het Salafisme.

Het Salafisme begon aan haar opmars in de jaren ‘70 als reactie op het failliete arabische socialisme en nationalisme, daarin gesteund door het door olie rijk geworden Saoudische regime. De beweging gaat uit van een absolute interpretatie van Koran en Soenna. Een eeuwenoude traditie van interpretatie en debat onder schriftgeleerden, zoals gebruikelijk onder de rest van de moslims, wordt door hen opzij gezet. Gods rede is niet te begrijpen, je moet haar simpelweg volgen, zo redeneren Safafi.

Salafi houden er een strenge levenswijze op na. Praktijken die onbekend waren aan de eerste generatie moslims, beschouwen zij als onzuiver. Salafi hebben dan ook op zijn best een ambivalente houding tegenover andere moslims en staan ronduit vijandig tegen de rest van het ongelovige gajes. Tot slot besluit Haykel met een verklaring voor de aantrekkingskracht van het meest radicale Salafisme op hedendaagse moslims in Europa en het Midden-Oosten: „Salafi bedienen zich van een gespierd taalgebruik dat indruk maakt en een gevoel van macht geeft. En hun ideologie bevat meer aantrekkelijke kanten: egalitarisme, vasthouden aan het authentieke, ondiepe gezagsstructuren.”

Dan nu de vergelijking met Wilders. Ook hij is wars van interpretatie en relativisme. Ook hij neemt de Koran letterlijk en laat -in zijn veroordeling- geen ruimte voor debat over de mogelijke betekenis van teksten. Maar ook het vrijheidsdenken dat Wilders zegt te omarmen, of zijn interpretatie van de verlichting, is een enge, strak omkaderde ideologie die geen ruimte laat voor verschillen van inzicht. En eigenlijk ook niet voor verschillen in identiteit. De ideologie van Wilders is net zo sectarisch als die van het salafisme.

Ook zijn beweging is een resultaat van teleurstelling in de bestaande ideologiën. Van links moest hij toch al niets hebben, maar ook de conservatief-liberale politiek heeft zijn zijn ogen gefaald. Hij richt zijn eigen beweging op die, bij gebrek aan enige partijstructuur, niet-hiërarchisch en derhalve tamelijk egalitair is. Je hangt zijn denkbeelden aan, of je doet dat niet. In het laatste geval ben je geen zuivere Nederlander maar een verrader of een lafaard, termen die Wilders graag bezigt.

Wilders heeft ook een hang naar het authentieke. Goed, hij is modern en gebruikt moderne technieken zoals internet, maar dat doen Salafisten ook. In zijn afhankelijkheidsverklaring verheerlijkt hij echter duidelijk het beeld van de authentieke Nederlander (of eigenlijk: Hollander), de koopman, de oorlogsheld, de entrepeneur en, god betere, eigenlijk ook de VOC-mentaliteit.

Wilders bedient zich van gespierd taalgebruik dat indruk maakt en een gevoel van macht geeft. Op zijn minst aan diegenen die vatbaar zijn voor dezelfde teleurstelling die Wilders meent tentoon te moeten spreiden over het Nederland van nu.

Tot zover de vergelijking. Want Wilders pleegt geen aanslagen en is geen terrorist. Overigens waren de oorspronkelijke Salafi dat ook niet. De reflexen van Wilders zijn op een aantal kenmerkende punten echter verdacht gelijkend op die van zijn grootste tegenstanders. Op zich zie je dat bij ultra-conservatieve stromingen wel vaker: terugkruipen in de eigen schulp, een wantrouwen tegen andersdenkenden of het creëren van een vijanddenken. Het gedrag van de meest extreemsten onder de salafi zou dan ook een waarschuwing moeten zijn voor de sympathisanten van Wilders. Zijn visie lost niets op, maar zet verhoudingen op scherp en verscherpt tegenstellingen die er voorheen niet of minder waren. En daar komt in welke vorm dan ook ellende van.

Homo Prasinus – wo 23 juli 2008

groen blaadje

Gisteren hekelde ik in mijn stuk over non-conformisme het door Cramer bedachte gloeilampverbod. Leuk allemaal, maar je komt dan als GroenLinkser wel in een lastig parket te zitten. Er waren toch immers ook grenzen?

Het wordt lastig wanneer je met een diepgeworteld non-conformisme milieupolitiek wil gaan bedrijven. Want we willen bij GroenLinks toch allemaal dat mensen minder auto gaan rijden. Of minder vlees eten. Of minder energie verbruiken. Ik ben echter niet erg gecharmeerd van het steeds maar willen verbieden van zaken. Waar ik minder moeite mee heb, is als zaken duurder gemaakt worden. Dat heeft, naast dat het een bewuster consumptiegedrag beoogt, ook een heel simpele economische achtergrond.

Economie is de wetenschap die zich bezighoudt met de vraagstukken rond de verdeling van schaarste. En een schoon milieu en de aanwezigheid van natuur zijn schaarse goederen. De nabijheid van natuur is aantrekkelijk als recreatiemogelijkheid voor burgers en indirect ook als vestigingsfactor voor bepaalde bedrijven. Een schone lucht is belangrijk voor de volksgezondheid van mensen. Daarmee zijn deze immateriële zaken toch kwantificeerbaar te maken. En alle zaken die schade berokkenen, dus ook. Een gloeilamp levert extra, in geld uit te drukken, schade aan het milieu.

Onwillekeurig betekent dit dat de aanschaf en het gebruik van milieuvervuilende goederen en diensten dus voorbehouden is aan de rijken. Dat klopt, maar wil niet zeggen dat daarom een verbod beter is dan een extra beprijzing. De keuzevrijheid is voor mensen met een minder dan modaal inkomen immers niet kleiner dan voor anderen. Ze zijn echter beperkt in de mate waarin ze hun keuzevrijheid inzetten. Daarnaast creëer je ook niet een meer egalitaire samenleving door de mogelijkheid luxe-producten aan te schaffen middels een verbod gaat beperken.

Vrijheid is een te groot om overal links en rechts maar verbodjes rond te strooien. En het milieu is, juist met het oog op toekomstige generaties, te kostbaar om onbeschermd te laten. De economie en de economische mechanismen zijn bij uitstek geschikt om dit belangenconflict te beslechten en deze schaarste op een juiste wijze te verdelen. Prijs stuurt vraag, winstmarge stuurt aanbod. Bij milieuonvriendelijke producten is het zaak het eerste te verhogen en het tweede te verlagen. Door middel van slimme taxering, evenredig aan de mate van schadelijkheid van het product.

Homo Rebellans – di 22 juli 2008

Riot

„Waarom heb je eigenlijk voor dit kapsel gekozen”, vroeg de directeur van het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks, wijzend naar mijn hanekam, aan mij. Even keek ik hem ongeloofwaardig aan. Moet ik dat verantwoorden dan?

Ik moest even nadenken over het antwoord. Meestal doe ik dat soort dingen namelijk in een opwelling. Maar daar nam de directeur geen genoegen mee. De beste verklaring die ik hem uiteindelijk kon geven, was een diepgeworteld non-conformisme dat mij zo tekent.

Goed, toegegeven, deze hanekam is nu niet het meest recalcitrante kapsel dat je kunt nemen. Ik beschouw het dan ook als niet meer dan een subtiel statement. Maar een statement desalniettemin. Ik ben een eigen individu en wens niet klakkeloos achter de regels aan te lopen die een ander voor mij bedenkt. Zeker wanneer die ander de overheid is.

Laat ik een voorbeeld noemen. Minister Cramer van milieu wil de gloeilamp verbieden. En ik geef toe, ik heb dat idee ook al eens uit de mond van Femke Halsema mogen optekenen. Ik word daar ontzettend gallisch van. Spaarlampen zijn lelijk en ik wil die dingen koste wat kost niet in mijn huiskamer hebben hangen. En de rijksoverheid hoort zich niet te bemoeien met het interieur van mijn huis. Abject idee dus, van tafel ermee en daarmee basta.

Een non-conformist is in zekere zin een vrijheidsstrijder. Eerder schreef ik al over mijn aversie tegen de invoering van een bedelverbod. Om diezelfde reden ben ik fel gekant tegen een algeheel rookverbod in de horeca. Het gebrek aan keuze voor niet-rokers is nu omgezet in een gebrek aan keuze voor rokers. De keuzevrijheid van mensen is er per saldo niets mee opgeschoten.

De directeur en ik filosofeerden verder. Via het bekende koffie-incident bij McDonalds, dat er toe heeft geleid dat in de hele wereld de koffie inmiddels wordt afgedekt met een plastic dopje, kwamen we bij veiligheidsvraagstukken. Een voorbeeld: de burgemeester in Breda had tijdens het jazzfestival uitgevaardigd dat op terrassen alleen in plastic geschonken mocht worden. Kennelijk was hij bang voor opstootjes, waarbij ruziemakers een glas kapot zouden slaan om als wapen te gebruiken. En inderdaad, die kans, hoe minimaal ook, is altijd aanwezig.

Het verhaal heeft echter ook een keerzijde. Ik was op stap met een stel keurige vijftigers en zestigers. Toen wij op een terrasje in één van de zijstraten van de Grote Markt een lekker biertje wilde bestellen, kreeg de één zijn witbier, de andere zijn trippel en een derde zijn bokje in plastic uitgeschonken. Gemor alom, al was het maar omdat één van ons uit België kwam en dus nogal fier is op zijn bier. Nog meer onbegrip was er toen een ander tafeltje de maaltijd wel gewoon kreeg uitgeserveerd op een bord van aardewerk, met daarnaast een metalen vork en steak-mes. Mensen reageren nu eenmaal niet goed op dubbele standaarden.

Hoe beter de sfeer, hoe minder kans op opstootjes. Nu bleef ons gemor binnen de perken, maar de beslissing alleen in plastic te schenken, komt de algehele sfeer niet ten goede. En maakt daarmee de kans op geruzie ook groter. En als er eenmaal echt ruzie is, vindt men in plaats van glas wel iets anders om mee te smijten. Of, zoals de directeur antwoordde, met plastic gaan ze eerder gooien dan met glas.

Een overheid die verbiedt, ontneemt mensen keuzemogelijkheid en daarmee een stuk verantwoordelijkheid over hun eigen leven. Dat creëert, na verloop van tijd niet alleen een saaie, monomorfe samenleving waarin niemand uit de band mag springen, maar ook domme burgers zonder initiatief. De overheid doet het denkwerk wel voor U, U kunt rustig gaan slapen. Niets is meer dodelijk voor een samenleving dan dat.

En dat allemaal vanwege een vraag over mijn kapsel.